Forrest Gump in 1200

Umberto Eco keert in `Baudolino' terug naar de Middeleeuwen. Liefhebbers van historische romans met komische dubbele bodems, worden niet teleurgesteld. Maar Eco zet de lezer wel aan het werk.

Als het niet waar is, is het goed gevonden. Een twaalfde-eeuwse student wil indruk maken op zijn ver weg wonende mentor en noemt in een brief een aantal titels van fictieve werken die hij in de kloosterbibliotheek van Saint Victor is tegengekomen. De mentor, een aanzienlijke geestelijke, vraagt de boeken op bij de kanunniken van de Parijse abdij. Als zij de gevraagde werken niet kunnen vinden, schrijven ze die uit angst voor gezichtsverlies maar zelf. Aldus ontstaan manuscripten als De patria diabolorum (`Waar komen de duivels vandaan') en De modo cacandi (`Hoe te kakken').

De middeleeuwse student die met zijn fantasie de wereldliteratuur verrijkt, heet Baudolino en is de titelheld van de vierde roman van Umberto Eco. Als beschermeling van de Duitse keizer Frederik I, bijgenaamd Barbarossa, verkeert hij in de hoogste kringen en kan hij zijn stempel op de geschiedenis drukken. Zo redt hij de keizer het leven op het slagveld van Legnano (1176), levert hij het idee voor de heiligverklaring van diens verre voorvader Karel de Grote, en is hij getuige van de verdrinkingsdood van Barbarossa tijdens de Derde Kruistocht (1190). En passant sticht Baudolino de universiteit van Bologna (die acht eeuwen later een beroemd Italiaans wetenschapper en schrijver voortbrengt), is hij betrokken bij de bouw van Alessandria in Piemonte (waar dezelfde beroemde Italiaanse schrijver in 1932 wordt geboren), en stuit hij op de verborgen relieken van de Drie Koningen; niet alleen schenkt hij de Magi aan de kathedraal van Keulen, waar ze tot op de dag van vandaag nog liggen, maar ook geeft hij ze namen die makkelijker uitspreekbaar zijn dan degene die de kerkvaders voor hen hadden verzonnen. Zonder Baudolino hadden wij niet Kaspar, Melchior en Balthasar vereerd, maar bijvoorbeeld Zhrwndd, Hwrmzd en Awstsp.

Het is duidelijk: Baudolino is de Forrest Gump van achthonderd jaar geleden, en daarmee typisch een personage van Umberto Eco. De 69-jarige hoogleraar semiotiek (de tak van communicatiewetenschap die zich met tekensystemen bezighoudt) draagt de populaire cultuur een warm hart toe en introduceerde al in zijn romandebuut De naam van de roos (1980) een veertiende-eeuwse Sherlock Holmes én een bibliomane monnik met de trekken van Jorge Luis Borges. Na uitstapjes – of liever labyrinthische omwegen – naar de twintigste eeuw (De slinger van Foucault, 1988) en de vroeg-moderne tijd (Het eiland van de vorige dag, 1994) is Eco weer terug in de Middeleeuwen, de tijd die hij door het krankzinnige succes van zijn filosofische detectiveverhaal als geen ander populair heeft gemaakt.

Baudolino is een schelmenroman over de waanzinnige twaalfde eeuw, toen in de stadstaten in de Po-vlakte de basis werd gelegd voor de moderne democratie, en in de strijd tussen de vier wereldmachten (de Duitse keizer, de paus, de heerser van Byzantium en de leider van de Turken) het christelijk erfgoed op zijn zachtst gezegd flexibel was. Nieuwe relieken doken dagelijks op, in handen van terugkerende kruisvaarders of andere ondernemers, en in de wereldlijke en kerkelijke kanselarijen werden aan de lopende band subtiel vervalste oorkonden gefabriceerd die de legitimiteit en de territoriale aanspraken van de diverse vorsten kracht moesten bijzetten.

Het is een ideale biotoop voor het talenwonder Baudolino, die zich vanaf zijn vroegste jeugd specialiseert in het vertellen van sterke verhalen – en zoals veel leugenaars gaat geloven in zijn eigen fictie. `Het probleem in mijn leven is dat ik hetgeen ik zag altijd verwarde met wat ik wilde zien', zegt hij tegen de man aan wie hij zijn levensverhaal vertelt. Als hij voor het eerst in Rome komt en teleurgesteld is over de armoedigheid van de Eeuwige Stad, verzint hij voor het thuisfront toeristische attracties, waarover hij in later tijden zal horen praten alsof ze realiteit zijn. Als hij enkele jaren eerder als jongetje in de mistige bossen van Frascheta (de westelijke Po-vlakte) een verdwaalde reiziger tegenkomt, vertelt hij die dat hij net Sint Baudolino is tegengekomen en dat de Heilige hem een overwinning voor keizer Frederik in de slag bij Terdona voorspelde.

Lievelingtje

Die bluf legt Baudolino geen windeieren. De verdwaalde reiziger blijkt Frederik Barbarossa zelf, en die neemt het vroegwijze boerenzoontje mee naar zijn hof, waar het als lievelingetje van de keizer snel uitgroeit tot een van de invloedrijkste ministerialen. Met Baudolino als gids is de lezer vervolgens niet alleen getuige van Frederiks strijd om de heerschappij over de opstandige Lombardijse steden, maar ook van het studentenleven in Parijs, de pracht en praal van Byzantium, de hypocrisie van de kruistochten, en niet te vergeten de vermeende moord op keizer Frederik in Klein-Azië. Want Eco zou Eco niet zijn als Baudolino niet ook een murder mystery was waarvan de ontknoping pas op de laatste bladzijden volgt.

`Onzinnige verhalen bestaan niet' zegt Baudolino's gesprekspartner, een hoge Byzantijnse ambtenaar die door de avontuurlijke zestiger van de dood wordt gered tijdens de plundering van Constantinopel door de kruisvaarders (1204). Maar de welwillendheid van deze Nicetas – en het geduld van de lezer – wordt op de proef gesteld door het tweede deel van Baudolino's autobiografie. Daarin doet hij verslag van de tocht die hij na de dood van zijn beschermheer samen met een aantal vrienden maakte naar het verre Oosten, om bij de legendarische priester-koning Johannes de Heilige Graal af te leveren. Dat deze `Gradalis' gewoon een houten nap uit de boedel van Baudolino's gestorven vader is, heeft nog wel iets. Maar de opeenvolging van wonderlijke gebeurtenissen en ontmoetingen met fabeldieren – een rewrite van de klassieke Alexanderroman – is een breuk met het voorafgaande. Als je na het diep-duistere bos van Abcasia en de steenrivier de Sambatyon kennismaakt met de gymnosofisten (wijze naaktlopers), kynocephalen (hondekoppen), sciapoden (eenvoeters) en witte wonderpaarden waaraan zelfs de schrijfster van Harry Potter nog een puntje kan zuigen, dan verlang je terug naar de (pseudo-)historie van de eerste 290 bladzijden.

Eco is altijd al het knapste jongetje van de klas geweest en bovendien een mateloze romanschrijver die wilde excelleren in alle mogelijke genres. Dat had te maken met zijn opvatting van literatuur als een `tekst' waarvan de betekenis door de lezer wordt ingevuld: `je maakt iets en dan verzinnen anderen later wel wat het betekent', zegt een personage in Baudolino; en niet voor niets heten twee van Eco's belangrijkste theoretische werken Opera aperta (`Open werken', 1962) en Lector in fabula (`De lezer in het verhaal', 1979). In De naam van de roos hielp hij de lezer een handje door bij voorbaat een verhaal op verschillende niveaus aan te bieden: de speurdersroman over William van Baskerville was óók een inleiding in de middeleeuwse filosofie, een gids in het kloosterleven, en een college in de semiotiek. Maar in Baudolino krijg je het gevoel dat hij de historische schelmenroman en het wonderreisverhaal niet heeft weten te integreren. Het is Gump meets Gulliver, zonder dat die twee echt nader tot elkaar komen.

Gedrochtje

Eco denkt daar ongetwijfeld anders over. Halverwege de roman, wanneer Baudolino heeft verteld hoe hij – o ironie – een doodgeboren `gedrochtje' blijkt te hebben verwekt, zegt hij: `Ik was een leugenaar en had zozeer als leugenaar geleefd dat zelfs mijn zaad een leugen had voortgebracht [...], iets wat niemand zich voor kan stellen en dat niemand zich wenst. Je kunt je dus maar beter terugtrekken in de wereld van je wonderen, want daarin kun je tenminste zelf uitmaken hoe wonderlijk die wonderen zijn.' Het is het kerncitaat uit Baudolino; niet alleen omdat het verklaart waarom Baudolino's verhalen steeds uitzinniger worden, maar ook omdat Eco hier — net als elders in de roman — een parallel trekt met de schrijver, die immers ook de leugen is toegewijd. `Retorica is de kunst om dat wat niet per definitie waar is goed onder woorden te brengen', zegt een van Baudolino's leermeesters; `en dichters hebben de plicht om mooie leugens te verzinnen.'

Leugens

De vraag is natuurlijk: hoe mooi zijn de leugens die Eco dit keer heeft verzonnen? Niet mooier dan die in De naam van de roos, moet ik zeggen — al is het oneerlijk om Eco's boeken steeds met die superieure eersteling te vergelijken. Ook niet mooier dan de wirwar van esoterische toevalligheden en spannende complottheorieën in De slinger van Foucault. Maar dat neemt niet weg dat de liefhebbers van de historische roman-met-dubbele-bodems in het eerste deel van Baudolino volop aan hun trekken komen. Na een moeizame introductie in middeleeuwse fantasietaal (waaruit de vertalers zich goed hebben gered) geeft Eco in vlot proza een dynamisch beeld van de tijd waarin Europa gevormd werd, inclusief theologische debatten, disputen over techniek, gruwelijke lynchpartijen, en recepten om van te watertanden. En hij doet dat met het onbekommerde intellectualisme dat zijn handelsmerk is geworden.

Wat Baudolino onderscheidt van de gemiddelde historische fictie is humor. Toegegeven, die doet een enkele keer denken aan de `humor voor klassiek geschoolden' die Van Kooten en De Bie ooit introduceerden op de Bescheurkalender (`Wilt u een enkele reis of een retourtje, mevrouw Karenina?'). Eco houdt van subtiele anachronismen — van verwijzingen naar Gullivers reizen en Calvino's Onzichtbare steden tot de als zinloos afgedane uitvinding van de stoommachine — en van historische ironie, zoals in de belofte van de Duitse keizer aan Baudolino's vriend Rabbi Solomon: `Wij Teutonen hebben er goed aan gedaan de mensen van jouw ras te beschermen en zullen dat ook in de komende eeuwen blijven doen.' Maar veel vaker gaan Eco's grappen dieper, en hangen ze samen met het thema van de roman, de dunne scheidslijn tussen verhaal en fantasie. Zo reageert de aartsleugenaar Baudolino met middeleeuwse felheid op de wereldreiziger die hem `wijs wil maken dat zijde wordt gemaakt door wormen'. Terwijl een oosterse vorst hem op zijn beurt ongelovig vraagt of het waar is dat er in het westen ramen zijn `van een soort steen dat licht doorliet'.

Eco wil de lezer graag aan het werk te zetten; je hoort hem als het ware gniffelen wanneer Baudolino vertelt dat de bewoners van de steden uit de Po-vlakte, `lieden die elkaar onderling soms niet eens verstonden', noodgedwongen dezelfde taal spraken toen ze gezamenlijk een toren in Alessandria bouwden. Maar Eco ligt er niet wakker van als we deze omkering van het Toren van Babel-verhaal niet zien, of even vergeten zijn dat hij een paar jaar geleden een boek over de zoektocht naar een gemeenschappelijke taal publiceerde (Europa en de volmaakte taal). De lezer is koning, en die bepaalt wat er in een roman van zijn gading is. En de schrijver mag dan God zijn, hij is afhankelijk van zijn publiek. Zoals Baudolino zegt wanneer hij tegenover Nicetas zijn creatief gesjoemel met relieken verdedigt: `Wij denken altijd dat wíj God nodig hebben, maar vaak heeft God óns nodig.'

Umberto Eco: Baudolino. Uit het Italiaans vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Bert Bakker, 475 blz. ƒ55,– (pbk) en ƒ75,– (geb)