De openbaringen komen in de lunchpauze langs

Een van de meest onontkoombare en curieuze ontwikkelingen in de hedendaagse cultuur is zonder twijfel onze preoccupatie met de sleur van het banale. Van het kantoorbestaan in Voskuils Het Bureau, het groepsexhibitionisme in Big Brother tot de webcams die staan opgesteld in de woonkamers van talloze brave huisvrouwen: saaie levens, en in het bijzonder saaie levens die rechtstreeks zijn ontleend aan de saaie werkelijkheid, vormen een schier onuitputtelijke bron van fascinatie voor een groot publiek. Of dit nu een kwestie is van leedvermaak is over andermans levens die nóg trivialer zijn dan het jouwe; een kalmerend, hypnotiserend effect vergelijkbaar met het kijken naar het raampje van een draaiende wasmachine; of van het tegen beter weten in blijven hopen op een onverwachte, interessante ontwikkeling, valt moeilijk te zeggen. Hoe het ook moge zijn, sleur sells.

Twee onlangs in Groot-Brittannië verschenen boeken lijken dit te onderstrepen. Zowel Perfect Tense van Michael Bracewell als Misadventures van Sylvia Smith beschrijven de levens van alleenstaande, middelbare, in domme kantoorbaantjes gevangen individuen. Maar terwijl Bracewells roman, zijn vijfde, relatief onderbelicht bleef, ontstond er rond Smith een heuse hype. Misadventures werd dan ook gepresenteerd als het autobiografische verhaal van de 56-jarige debutante, dat niet alleen opviel door de verregaande saaiheid van het leven dat erin werd beschreven, maar ook door de beknopte, volstrekt vlakke stijl waarin dat werd gedaan.

Misadventures is, kortom, een curiosum, dat doet denken aan de grote Britse klassieker over saaie levens, The Diary of a Nobody van George and Weedon Grossmith (1892). The Diary of a Nobody is het fictieve dagboek van Mr. Charles Pooter, een Victoriaanse kantoorklerk die zich dagelijks van de suburbs naar zijn kantoor in de City begeeft, en alle triviale, gênante en vernederende incidenten uit zijn leventje optekent in een al even triviale stijl, onder het motto: `Waarom zou ik mijn dagboek niet publiceren? Ik heb vaak genoeg de memoires gezien van mensen waar ik zelfs nog nooit van gehoord had, en ik zie geen reden waarom mijn dagboek niet interessant zou zijn omdat ik toevallig niet ``Iemand' ben.' Het boek schetst een meedogenloos satirisch portret van een stereotype, naïeve middle class sukkel, maar het blijft ongemakkelijk lachen om Mr. Pooter. Hij is immers ook een soort Everyman, die erg z'n best doet, maar de greep op het leven ontglipt hem telkens.

Pooters Everyman vindt een tegenhanger in Smiths Everywoman. En Pooters motto zou evengoed het hare kunnen zijn. Maar er is één cruciaal verschil: terwijl Pooter een fictieve karikaturale creatie is, pretendeert Smith een getrouw beeld te geven van haar eigen leven. Ze schrijft over haar familieachtergrond (een oma die, zwanger van Smiths vader, steeds van de trap sprong in de hoop op een miskraam), jeugdvriendinnetjes, dode huisdieren, eerste afspraakjes, een lange reeks mislukte relaties, kantoorwerk dat langzaamaan verkeert in schoonmaakklusjes, en andere tegenspoed.

Haar ultrakorte hoofdstukjes zijn steevast opgebouwd uit een titel, een jaartal, een korte beschrijving van de voornaamste personages, en dan de tekst zelf, vaak een anekdote zonder specifieke pointe of ontknoping. Zo lezen we over `Nasrin' (1977): `Nasrin was Indiaas en de gescheiden moeder van twee tienerdochters. We ontmoetten elkaar in een gezelligheidsvereniging. Zij was achtendertig. Ik was tweeëndertig.', waarop een alinea over Nasrins slechte huwelijk volgt. Maar ondanks hun chronologische volgorde bestaat er tussen de afzonderlijke episodes weinig samenhang; het blijven incidenten die in een vacuüm lijken te zweven. Smith biedt geen enkele sfeertekening, geen beeld van een tijdperk, geen inzicht in personages of psychologische diepgang. Emoties, zelfreflectie en introspectie zijn zorgvuldig afwezig. Misadventures is zo de merkwaardige autobiografie geworden van een auteur die zich niet wil laten kennen.

Desondanks, of misschien juist daarom, is Misadventures hard op weg om een cultsucces te worden. Toch is saai schrijven niet voldoende om een saai bestaan ook tot leven te wekken, al is het nog zo waargebeurd. Hoe dat wel kan,toont Michael Bracewell (1958) in zijn schitterende miniatuurtje Perfect Tense. Op het omslag van het boek staat een schilderij van een stilleven, dat bij nadere inspectie een kantoorscène blijkt te zijn: de kreeft bestaat van dichtbij gezien uit een rode telefoon en twee nietmachines; het bord oesters is een asbak met peuken; de rol perkament een faxuitdraai. Het stilleven is de perfecte metafoor voor het leven van Bracewells hoofdpersoon, een naamloze man wiens sociale leven tot een stilstand is gekomen, maar die er een intens geestelijk leven op nahoudt. Tegenover de totale oppervlakkigheid van Smith stelt Bracewell de boeiende interne monoloog van zijn hoofdpersoon, waar de introspectie slechts nu en dan wordt doorbroken door kantoorincidenten, die weer aanleiding geven tot nieuwe bespiegelingen.

Rebellie

Die beginnen al sterk in het eerste hoofdstuk, waar de veertigjarige verteller zijn angst voor redundancy, werkloosheid èn overbodigheid, plaatst in de context van zijn hele generatie, de `anxious generation', gedreven door bezorgdheid, sociale onhandigheid en het gevoel uit de pas te lopen, even wantrouwend tegenover georganiseerde autoriteiten als tegenover georganiseerde rebellie, en `gediskwalificeerd voor de fast lane door ons fundamentele gebrek aan interesse in winnen'.

De ik-figuur koesterde ooit het ideaal een onafhankelijke observator van de werkelijkheid te worden, een soort `scanner to catch every bleap and squeak of the Zeitgeist'. Het kantoor zou zijn ideale werkterrein zijn. Hij observeerde hoe, ergens in de vroege jaren tachtig, de meeste dingen in een imago werden veranderd, `een wereld waar alles in een idee van zichzelf was veranderd, waar het leven niet langer een innerlijk leven bezat', een proces dat hij ooit eens uitgebreid in de kaart zou brengen.

Maar bij aanvang van het boek beseft de verteller dat zijn idealen hun houdbaarheidsdatum hebben overschreden: `Of, om het anders te formuleren, je kunt niet eeuwig blijven repeteren voor de uitvoering van je meesterwerk.'

Nu neemt hij zijn toevlucht tot analyses en filosofietjes — over verzakelijking en commercialisering die paniek en leegte verhullen, over de Compenserende Pleziertjes die je het zicht verhinderen op wat je echt wil in het leven, die valse antwoorden daarop bieden, zoals een pensioenregeling of een `starterswoning' — niet als onderdeel van een belangwekkend project, maar om zijn kantoorbestaan draaglijk te houden.

Bracewell weet de verveelde gedachten van zijn hoofdpersoon in prachtige, soms lyrische, soms elegische zinnen te gieten. En in contrast met de dodelijke chronologie van Smith staat hier de alomaanwezigheid van herinneringen die op een Proustiaanse manier opkomen, bijvoorbeeld door de lichtval in een gang: `Ik hoef niet veel moeite te doen om mijn herinneringen aan het kantoor op te halen; het is alsof elk kantoor waar ik ooit heb gewerkt altijd om mij heen is, als een landschap, en ik zie ze wanneer ik maar opkijk van mijn bureau.'

Is het het kantoor dat hem al die tijd klein heeft gehouden, vraagt de hoofdpersoon zich af, dat hem heeft gedwongen die fantasieën te koesteren die als een substituut voor het leven dienen? Tijdens een wandeling in zijn lunchpauze krijgt hij ineens de openbaring dat er, ondanks alles, een keus bestaat. `And then the thought slipped away again, like a fish darting into the darkness of reeds.' Ook hier blijft, net als bij Smith, de vraag of er leven mogelijk is op het kantoor onbeantwoord, maar het is Bracewells grote verdienste dat hij hem ook daadwerkelijk weet te stellen.

Willem Frederik Hermans: Broodplank, broodtrommel, brood en broodmes Uit Een foto uit eigen doos, nr. 23

Michael Bracewell: Perfect Tense. Jonathan Cape, 169 blz. ƒ45,80 Sylvia Smith: Misadventures. Canongate, 248 blz. ƒ39,95

    • Corine Vloet