De nationale verlegenheid

Hoe ver mag je als minister je gedachten laten gaan? De tijd dat de `dienaren van de kroon' louter in het parlement verschenen en daarmee een bewijs van nog in leven zijn afgaven, ligt al ver achter ons. Ministers maken net als andere politici, acteurs, sporters, ondernemers, advocaten etc. volop deel uit van het nationale praatcircuit. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat is er altijd wel ergens een minister te vinden op één van de vele televisiezenders. En ook in de geschreven pers zijn ze niet weg te sláán. Mediaperformance is gewoonweg een belangrijk onderdeel van het takenpakket van een minister geworden.

Het staatsrecht zegt dat als een minister aan een vraaggesprek wordt onderworpen, in feite het volledige kabinet wordt geïnterviewd. De grondwet stelt immers dat de ministerraad de eenheid van het beleid bevordert. In normaal Nederlands: ministers horen niet namens zichzelf te spreken. Logisch, want wat is een regering waard die uit diverse verschillende opvattingen bestaat? Maar een feit is ook dat de regel `de regering praat met één mond' steeds meer gaat wringen. In een tijdsgewricht waar politieke partijen als vehikel voor de meningsvorming nauwelijks nog een rol spelen, worden ministers al gauw vereenzelvigd met `de' politiek. In die rol willen zij, meer dan vroeger wel eens hardop denken en daarmee de door het kabinet bepaalde `beleidshorizon' voor zichzelf verleggen.

Vervolgens is het vrij spel voor de oppositie: gespeelde bezorgdheid over de eenheid in het kabinet, verontwaardigde vragen, als het even kan een spoeddebat met de minister-president, en tenslotte de politieke balans die uitmondt in de constatering dat het kabinet geen enkele samenhang meer vertoont. Het kabinet antwoordt dat het wat ongelukkig is verlopen, waarna ieder zijns weegs gaat op weg naar het volgende incident. Vanwege de voorspelbaarheid is het een rituele dans geworden.

Een echte oplossing is er niet. De staatsrechtelijke regel kan niet worden losgelaten, maar aan de andere kant zijn niet bangelijk aangelegde, vooruitkijkende ministers een verademing in het verder zo platte politieke landschap. Minister Borst van Volksgezondheid koos twee weken geleden in een vraaggesprek met deze krant voor de ongebonden aanpak. In het interview waarin werd teruggekeken op de in diezelfde week in de Eerste Kamer aanvaarde euthanasiewetgeving, deinsde Borst er niet voor terug naar de toekomst te kijken. Want levensbeëindiging bij het uitzichtloos lijden was nu wettelijk geregeld, maar wat te doen bij iets als levensmoeheid? Geen irreële vraag, want de voorbeelden waarbij in die gevallen euthanasie is toegepast bestaan inmiddels, en de rechtszaken hierover eveneens.

Zodoende kwam Borst bij de omstreden uitspraken over zich te pletter vervelende mensen, die zich helaas niet dood verveelden en de `pil van Drion' waar ze niet op tegen was, mits aan allerlei zorgvuldigheidsregels zou zijn voldaan. Vanuit politiek `controlmanagement' bezien waren dit qua timing onverstandige uitspraken, maar voor het overige volgde Borst een uitermate consequente redeneertrant. Elke wet roept nieuwe vragen en afwegingen op, en zeker een wet die het doden van patiënten toestaat. Hulde voor de minister die daarvoor niet de ogen sluit en alvast de contouren van het vervolgdebat schetst.

Dat op hun beurt de tegenstanders van de euthanasiewet het vraaggesprek aangrepen om de minister in de Tweede Kamer stevig aan te pakken was evenzeer gerechtvaardigd. Wie al tegen de nieuwe wet was, is natuurlijk helemáál tegen nog verdergaande stappen op die weg. Maar wat te denken van de houding van PvdA, VVD en GroenLinks? Voorstanders van de nieuwe euthanasiewetgeving, maar uiterst kritisch over de uitlatingen van Borst; niet alleen ten aanzien van het moment waarop zij haar uitspraken deed, maar ook over de inhoud. Ze had niet zo ver mogen gaan. Hoezo niet?

Het toppunt van lafhartigheid toonde de VVD in het Kamerdebat. ,,Is de pil van Drion mogelijk naast de euthanasiewet'', vroeg woordvoerder Vos zich af. ,,De VVD ziet geen aanleiding voor de regering om de discussie op dit moment te initiëren. Dat laat onverlet dat daarover in de maatschappij vrijelijk kan worden gediscussieerd. Het is uiteraard aan de politiek om die ontwikkelingen goed te volgen.''

Dit is nu werkelijk de liberale leunstoel ten voeten uit. Wel een maatschappelijk debat, de politiek moet het ook volgen, maar zich verder vooral op de vlakte houden. Is die stilte simpelweg een uitwerking van het liberale beginsel van zo min mogelijk staatsinterventie (met als cru gevolg dat het `probleem' ten dele bij de treinmachinisten wordt gedeponeerd) of is het toch de beladenheid van het onderwerp euthanasie?

Nederland heeft met zijn euthanasiewetgeving ontegenzeggelijk een unieke stap gezet in de wereld. Dat blijkt wel uit de heftige reacties uit het buitenland. Dan kan je hieruit de conclusie trekken dat de ,,informatievoorziening tekort is geschoten'' (VVD'er Vos), maar waarschijnlijker is dat de rest van de wereld niet zo ver wil gaan als Nederland. Zoals Robert Leicht van het liberale Duitse weekblad Die Zeit vorige week op de voorpagina van zijn blad schreef: ,,in een land met een dergelijk wet wil ik niet leven.''

Het zijn harde woorden, waar we in Nederland telkens weer van schrikken. Waarom? De euthanasiewetgeving is tot stand gebracht om een eind te maken aan het schemergebied? Euthanasie bestaat. De verdienste van de wetgeving is dat aan de `grote leugen' een eind is gemaakt. Maar dan moet het debat ook voluit gevoerd kunnen worden. Maar het opmerkelijke in het euthanasiedebat is dat de voorstanders tegenargumenten telkens buiten de orde verklaren. Zo wordt het leggen van een verband met de vraag om euthanasie en tekortschietende aandacht voor zieken, als onzindelijk afgedaan. Ook de verwijzing naar de nazi-tijd levert steevast opgewonden reacties bij de voorstanders op.

Het wijst op verlegenheid met het onderwerp. Wie sterk in zijn schoenen staat, pareert de tegenargumenten maar verbiedt ze niet. Juist een debat over leven en dood dient in alle openheid en alle scherpte gevoerd te worden. En dat geldt ook voor de vervolgvragen, zoals de pil van Drion. Wat dat betreft heeft minister Borst zich een stuk oprechter getoond dan de zo geschokte meerderheid van de Tweede Kamer.

    • Mark Kranenburg