Beeldenstormers tegen Boeddha

Ook onder moslims zijn er velen die de Afghaanse Talibaan beschouwen als het slechtste wat de islam te bieden heeft: onverdraagzaam, vrouwvijandig, gewelddadig, ongeletterd en een gevaar voor de stabiliteit in de regio. En de Pakistaanse journalist Ahmed Rashid, correspondent voor onder andere The Far Eastern Economic Review, is eveneens een criticus van de Talibaan. Hij laat in zijn boek zien dat Afghanistan de laatste jaren is uitgegroeid tot een nachtmerrie van formaat. En dat terwijl Rashid op het moment van schrijven nog geen weet had van een nieuw dieptepunt: de beeldenstorm van vorige maand die ook twee boeddhabeelden in Bamiyan de kop (en het lijf) kostte.

Rashid is een onbetwiste kenner van Afghanistan. De laatste 25 jaar bezocht hij het land tientallen malen en de meeste leidende figuren ontmoette hij persoonlijk; juist daarom doet het wat potsierlijk aan dat hij hier en daar de lezer nadrukkelijk meent te moeten herinneren aan zijn eigen kwaliteiten.

Helder legt hij echter uit hoe de Afghanen halverwege de jaren negentig na lange tijd van (burger)oorlog en desintegratie rijp werden voor het streng fundamentalistische bewind van de Talibaan (letterlijk: `Koranstudenten'). Die wilden eindelijk orde op zaken stellen in het door facties verscheurde en verwoeste land, waar in de jaren tachtig het Rode Leger van de Sovjet-Unie een spoor van vernietiging had achtergelaten.

De voorhoede van de Talibaan bestond uit zeer gedreven voormalige studenten van madrassa's (islamitische scholen). Alles overheersend was voor hen de vraag of de Koran nauwgezet werd nageleefd. Vooral plattelandsjongens, sommigen niet ouder dan 14 jaar, door Rashid aangeduid als Lumpenproletariat, raakten in de ban van de beweging. Hun generatie had nooit vrede gekend. Op meestal primitieve scholen leerden ze de Koran uit hun hoofd. Contact met meisjes hadden ze niet en hun kennis van de buitenwereld stond gelijk aan nul.

Het verhaal van hun razendsnelle opmars en de uiteindelijke inneming van Kabul in september 1996 is al eerder verteld. Hetzelfde geldt voor de slechte behandeling van vrouwen en meisjes en de gespannen relatie met buitenlandse hulpverleners, die leidde tot ongekende humanitaire ellende. Ook het feit dat de hoop van een groot deel van de bevolking al snel omsloeg in teleurstelling over de Talibaan is niet nieuw.

Wèl interessant is Rashids beschrijving van de loopbaan van de geheimzinnige voorman van de Talibaan, mullah Mohammed Omar, die zijn positie gaandeweg enorm wist te versterken. Een cruciaal moment deed zich voor op 4 april 1996, toen de nu 41-jarige mullah zich in de zuidelijke stad Kandahar hulde in een mantel die volgens de overlevering aan de profeet Mohammed had toebehoord. Een waagstuk dat goed voor hem uitpakte: niemand protesteerde. Sindsdien wordt hij vereerd als de Amir-ul Momineen (Commandant van de Gelovigen).

`Eton'

De overheersende groepering vormen de Durrani-Pathanen uit het zuidelijke Talibaan-bolwerk Kandahar. Uiteraard hoort ook mullah Omar tot deze groep. Andere Pathanen, de grootste stam in Afghanistan, komen niet of nauwelijks in aanmerking voor leidinggevende functies, laat staan mensen die niet eens tot de Pathanen behoren. Veelzeggend is ook dat in 1999 acht van de ministers van de Talibaan op dezelfde madrassa (religieuze school) in Pakistan hun opleiding hebben gekregen, evenals tientallen gouverneurs, rechters en legeraanvoerders. Met enige overdrijving zou men deze Dar Ul-Uloom Haqqania-school het `Eton' van de Talibaan kunnen noemen.

Het ministerschap krijgt onder de Talibaan een nogal afwijkende invulling. Sommige ministers èn de directeur van de staatsbank treden tegelijkertijd op als militaire commandanten. Veel deskundige ambtenaren van Tadzjiekse, Oezbeekse en Hazara-afkomst zijn vervangen door niet gekwalificeerde Pathanen. Daardoor functioneren de ministeries in Kabul in de praktijk nauwelijks meer.

Uitgebreid komt de wreedheid aan bod waarmee de Talibaan al vanaf hun eerste optreden tegenstanders behandelden. Vaak werden lijken, al dan niet verminkt, opgehangen om iedereen in te peperen wie de baas was. Ook hun tegenstanders reageerden steeds harder. Door al dit bloedvergieten verhevigden de etnische tegenstellingen en verdampte de oude traditie van religieuze tolerantie.

Nogal zwaar aangezet wordt de kwestie van de mislukte plannen voor een olie- of gaspijpleiding vanuit het buurland Turkmenistan door Afghanistan naar Pakistan. Rashid doet het voorkomen alsof de concurrentie tussen een middelgroot Amerikaans en een Argentijns olie- en gasbedrijf een centrale rol heeft gespeeld. Weinig wijst er echter op dat deze economische kwestie voor de Talibaan of enige andere factie ooit de boventoon heeft gevoerd.

Meer terzake is Rashids verwijt dat ook de buitenwereld veel blaam treft voor alle misère in Afghanistan. Dankzij het feit dat Rusland, Saoedi-Arabië, Iran en de Verenigde Staten wapens en geld hebben gepompt — en nog steeds pompen — in Afghaanse milities van hun keuze, bleef de strijd steeds weer opvlammen, ook al snakken gewone Afghanen inmiddels al vele jaren naar vrede.

Grote motor

Rashid heeft zijn vaderland niet gespaard. Pakistan was vooral in de beginfase de grote motor achter de Talibaan. Sterker nog, door de massale financiële en militaire steun aan de Talibaan en anderen zou Pakistan zelfs in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor de aanhoudende neergang in Afghanistan. Die prikkelende stelling heeft Rashid onlangs nader uitgewerkt bij de aanvaarding van een prijs in eigen land. Hij ging daarbij voor lokale begrippen heel ver door als Pakistaan onvoorwaardelijk zijn excuses aan te bieden voor de dood van talloze Afghanen en de verwoesting van hun land door Pakistaanse bemoeienis. Een moedig standpunt, dat hem door veel nationalisten in eigen land niet in dank wordt afgenomen.

De ironie is, zoals Rashid ook aantoont, dat de hulp aan de Talibaan Pakistan zelf niet sterker maar juist zwakker heeft gemaakt. Doordat de Pakistanen oogluikend toestaan dat de Talibaan via smokkel grote hoeveelheden goedkope Westerse consumptieartikelen aan Pakistan leveren, is de eigen Pakistaanse industrie de laatste jaren sterk verzwakt. De Afghaanse heroïne, tot voor kort het belangrijkste exportproduct van het land, heeft in Pakistan bovendien voor maar liefst vijf miljoen drugsverslaafden gezorgd.

Belangrijker nog is dat de Talibaan zonder terughoudendheid extremistische islamitische organisaties in Pakistan steunen die niet terugdeinzen voor moorden op leden van de shi'itische minderheid. Ook de grote aantallen radicale studenten op islamitische scholen in Pakistan staan onvoorwaardelijk achter de Talibaan en hun denkbeelden. Een tijdbom die voor veel onrust in Pakistan zelf kan zorgen. Bovendien heeft Pakistan zich door zijn steun aan het Talibaanbewind internationaal geïsoleerd. De betrekkingen van Islamabad met Amerika, Rusland, Iran en de Centraal-Aziatische staten zijn sterk verslechterd. De weigering van mullah Omar om de van terrorisme verdachte zakenman Osama bin Laden uit te leveren, heeft Pakistan verder in verlegenheid gebracht.

Rashids boek is een aanwinst voor wie geïnteresseerd is in Afghanistan en het curieuze Talibaanbewind. De slordige vertaling, met de nodige anglicismen, roept echter heimwee op naar de oorspronkelijke tekst in het Engels.

Ahmed Rashid: Taliban. Vertaald door Tinke Davids. Atlas, 373 blz. ƒ49,90

    • Floris van Straaten