Anarchist in het oog van de cycloon

Een boek dat Q heet – dat wasemt geheimzinnigheid uit, dat ruikt naar mystificatie en complotten. En inderdaad, toen deze roman in 1999 in Italië verscheen, stond men meteen voor een raadsel. Niet zozeer de titel, als wel de naam van de auteur bezorgde de Italiaanse pers hoofdbrekens. Luther Blissett – was dat niet die zwarte Engelse topschutter die in 1982 bij AC Milan hopeloos faalde? Hij werd getraceerd en ondervraagd, maar deze hulptrainer van de tweede divisie-club Watford wees verontwaardigd elke identificatie met de schrijver van de hand.

Men kwam erachter dat de naam Luther Blissett op vele internetsites figureerde, waarin onder meer gewag werd gemaakt van satanssektes en publicaties van tv-goeroes – allemaal fake. Ook Umberto Eco werd in verband gebracht met deze monumentale historische avonturenroman, waarin geloofstwisten, spionage, politieke ideeën en bloedvergieten een belangrijke rol spelen. Uiteindelijk bleek Luther Blissett een anarchistisch collectief van vier jonge en volslagen onbekende auteurs uit Bologna te zijn.

In de auteursnaam zit tevens een verwijzing naar de vader van de Reformatie, Maarten Luther. Hij is het vertrekpunt van de roman; beschreven wordt hoe deze augustijner monnik en doctor in de theologie in 1517 zijn 95 stellingen tegen de katholieke handel in aflaten op de deur van de slotkerk in Wittenberg spijkert. In dezelfde stad bevindt zich ook de held van het verhaal, een student theologie. Hij raakt in de ban van deze prediker die `de taal van de aarde' spreekt, maar al snel bemerkt hij dat Luther heult met de Duitse keurvorsten en zich amper nog om de verlangens van het gewone volk bekommert. De hervorming van Luther is hem niet radicaal genoeg, daarom schaart hij zich aan de zijde van de rondreizende prediker Thomas Müntzer, een charismatisch man die de machthebbers de oorlog verklaart en boerenopstanden organiseert. Ze krijgen zeggenschap over de stad Mühlhausen, maar buiten de muren van Frankenhausen worden ze verpletterend verslagen.

`In Frankenhausen ben ik voor de eerste keer gestorven', memoreert het ik-personage. Vanaf dat moment begint zijn bestaan als vluchteling en rusteloze onruststoker, die telkens onder een andere naam `de roep van het leven' volgt. Zijn zwerftochten voeren hem langs de bankiersstad Augsburg, het mondaine en tolerante Straatsburg en Amsterdam, waar hij fanatieke wederdopers ontmoet: de profeet-bakker Jan Matthijsz en de pooier-dichter Jan Beukelsz. Samen met deze Ridders van de Apocalyps trekt hij naar Münster, stad met een katholieke bisschop, een lutherse stadsraad en tot het anabaptisme bekeerde ambachtslieden en arbeiders. De wederdopers maken zich meester van de macht en dopen Münster om tot Nieuw Jeruzalem. Meedogenloze zuiveringen in naam van de Heer volgen, Jeroen Bosch-achtige taferelen domineren de stad en uiteindelijk smoort de droom in waanzin en bloed.

Als `kapitein Gert uit de Put' weet de verteller te ontkomen, als Soldaat van het Zwaard zaait hij dood en verderf onder aanvoering van goeroe Jan van Batenburg, die in 1538 in Vilvoorde wordt onthoofd. In Antwerpen likt hij zijn wonden bij een commune van vrije geesten. Lang duurt die rustperiode niet. Opnieuw wordt hij gegrepen door het verlangen de bestaande orde te ontwrichten. Samen met de leidekker-filosoof Lodewijck Pruystinck vervalst hij op grote schaal kredietbrieven van de oppermachtige bankiers Fugger, geldschieters van Karel V en de Heilige Stoel. Bijna weten ze die kapitalistische machinerie voorgoed te ontregelen, maar ook dit plan eindigt met de terechtstelling van zijn geestverwanten en het aannemen van een nieuw masker. In de Republiek Venetië, tenslotte, komt hij als bordeelhouder in contact met sefardisch-joodse bankiers-drukkers, met wie hij in het geheim het subversieve boek Het offer van Christus verspreidt om zo de poten onder de Heilige Stoel vandaan te zagen. Deze `hoofdstad van de drukkunst', met zijn 65 kloosters en achtduizend huizen van lichte zeden, is tevens het toneel van de uiteindelijke ontmoeting tussen `ik' en zijn aartsvijand: Q.

Is er bij de auteur Luther Blissett sprake van verschillende personen en één naam, bij de held van het verhaal hebben we te maken met één persoon die onder verschillende namen opereert. Het is een man die aldoor bezig is zijn sporen uit te wissen en tegelijkertijd zich voortdurend in het oog van de cycloon wil bevinden: daar waar de wereldorde uiteengereten kan worden. `Het leven op spel zetten om er een betekenis aan te geven', dat is zijn adagium. Tegenover deze anticonformist met vele gezichten staat een conservatieve en dienstijverige man zonder gezicht, Q, het Boze Oog van het Vaticaan. Deze spion, infiltrant en intrigant is indirect verantwoordelijk voor alle nederlagen van de `ik'. Hij houdt zich verborgen in de plooien van de geschiedenis, een spook dat alleen bestaat via de brieven die hij stuurt aan de baas van het Heilig Officie, de sluwe kardinaal Carafa.

Betekenisvol is de toon van Carafa's brieven: huichelachtig en plechtstatig, het klatergoud van het katholicisme belichamend. Lijnrecht daartegenover staat de verteltrant van het hoofdpersonage: aards en rauw, helder, geheel conform de leer van de protestantse hervormers. Met filmische vaart vertelt hij zijn spannende verhaal, soms staccato, meestal in de tegenwoordige tijd, wat de handeling alleen nog maar dichter bij de lezer brengt. De kracht van het woord, daar draait het om in deze roman. Het woord dat eerst vlees wordt en dan vuur, dat de geest van het volk in lichterlaaie zet, de tegenstanders verschroeit, maar uiteindelijk ook boeken verbrandt, zoals gebeurt bij de dolgedraaide wederdopers in Münster.

Niet alleen in de mond van de predikers en profeten wordt het woord een gevreesd wapen tegen het pauselijke machtsvertoon en de inquisitie, maar ook en vooral op de drukpersen. Met behulp van duizenden vlugschriften of door het op grote schaal drukken van een in de ban gedaan theologisch boekwerkje verspreiden de hervormers hun ideeën, zorgen ze ervoor dat het Woord Gods voor iedereen bereikbaar is en worden ze netwerkers avant la lettre. De parallel met internet is evident, en daarmee wordt deze roman behalve een politieke thriller ook een allegorie van de moderne tijd, waarin de vrijheid van het woord een tegenwicht biedt tegen de macht van het geld.

Illustratief voor die anarchistische opvatting is ook het feit dat het schrijverscollectief Luther Blissett zijn schepping vrij heeft gegeven door zijn uitgever te dwingen geen bepalingen met betrekking tot het copyright van de roman uit te vaardigen. Hoe dit nobele gedachtegoed zich in de praktijk zal vertalen is echter ten zeerste de vraag. Niet alleen omdat dit kleurrijke fresco van de zestiende eeuw in Italië (terecht) een daverend commercieel succes is, maar ook omdat deze in literair opzicht weinig revolutionaire roman (met veel wapengekletter en op z'n tijd een amourette) geknipt lijkt voor een Duits-Nederlands-Belgisch-Italiaanse cinematografische coproductie.

Luther Blissett: Q. Uit het Italiaans vertaald door Jan van der Haar en Annegret Böttner. Wereldbibliotheek, 715 blz. ƒ49,90 (geb.)