Advies over oorlogskunst gaat ver

Als het kabinet het advies van de Commissie-Ekkart overneemt, wordt het teruggavebeleid van oorlogskunst versoepeld. Zaken die na de oorlog afgehandeld leken, kunnen opnieuw in behandeling worden genomen.

,,Een museum kan niet uit eigen beweging afstand doen van werken in zijn bezit, hoe sterk de morele aanspraak van anderen daarop ook is, tenzij dat in overeenstemming is met het recht''. Dit betoogde prof. Norman Palmer eind vorig jaar op een symposium in Genève over `roofkunst' – kunstbezit in openbare collecties met een besmet verleden uit de Tweede Wereldoorlog. Palmer maakt deel uit van een speciale adviescommissie die de Britse regering heeft ingesteld voor dit soort gevallen. Deze commissie heeft de expliciete opdracht de `morele kracht' van claims tot teruggave mee te wegen, maar kan geen juridisch bindende uitspraken doen.

Ook Nederland worstelt met de nalatenschap van de nazi-periode, al is deze juridisch gesproken thans verjaard. Het is wel duidelijk dat het rechtsherstel van na de oorlog de nodige losse einden heeft als het gaat om de roofkunst. Toch verklaarde staatssecretaris Van der Ploeg (OCenW) vorige zomer: ,,Reden om het rechtsherstel in zijn geheel over te doen is er niet''. Wel verklaarde hij dat de regering bereid was om individuele claims van nabestaanden alsnog in behandeling te nemen als de claim nog niet eerder is ingediend, of sprake is van nieuwe relevante gegevens (`nova').

Dat een restitutieverzoek in een dergelijk geval in behandeling wordt genomen zegt nog niets over eventuele toewijzing, waarschuwde Van der Ploeg. Daarvoor moet in elk geval vaststaan dat het betrokken kunstwerk ook werkelijk onvrijwillig verloren is gegaan en is behoorlijk uitsluitsel vereist over de rechten van de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen.

De Commissie-Ekkart, die zich in opdracht van de regering bezig houdt met na 1945 uit Duitsland teruggehaalde kunstwerken in ons openbaar kunstbezit, vindt dat het teruggavebeleid moet worden versoepeld. Dit geldt voorlopig alleen voor particulier kunstbezit. Het hete hangijzer van voor handelsdoeleinden bestemde collecties (zoals de omstreden collectie-Goudstikker) komt later aan de beurt. Een onderscheidend criterium als `handelsdoeleinden' leent zich overigens wel voor discussie: particulier kunstbezit heeft al gauw mede een economische betekenis.

De uitgangspunten van het restitutiebeleid wil de commissie niet ter discussie stellen. Dat wel doen zou op zijn beurt tot scheve situaties kunnen leiden ten opzichte van oorlogsslachtoffers of nabestaanden die niet meer in staat zijn op de afloop van hun zaak terug te komen. Het gaat de commissie vooral om de uitvoering van het rechtsherstel na de oorlog door de Stichting Nederlands Kunstbezit die wordt gekarakteriseerd als `harteloos'. Met name wil de commissie het begrip `afgedane zaak' beperken en het begrip `nova' verruimen. Ook het bewijs van de oorspronkelijke rechten moet worden vergemakkelijkt, zelfs tot omkering van de bewijslast ten gunste van een `claimant' toe.

Wat opvalt aan dit advies is dat het zo juridisch van toonzetting is, terwijl het probleem van de roofkunst in wezen een kwestie is van harteloosheid, zoals de commissie het zelf noemt: een morele categorie. Er is een verband tussen de twee, zoals blijkt uit het instellingsbesluit van de Britse commissie. Maar dit besluit maakt ook duidelijk dat morele claim en juridisch bindend advies elkaar uitsluiten.

Juridisch gezien geldt de verjaring in Nederland als een `valbijl', zoals de Hoge Raad nog niet zolang geleden liet weten. De ruimte zit in de omstandigheid dat deze juridische guillotine niet automatisch werkt; verjaring geldt alleen wanneer er een beroep op wordt gedaan. Er kan dus ook van worden afgezien in een civiele zaak. Al dan niet afzien is een beleidskwestie en niet een rechtskwestie. Maar de regering kan een begrip als `novum' (nieuw feit) niet naar believen oprekken zonder in moeilijkheden te komen met de nogal strenge betekenis die daar in de rechtspraak aan wordt gehecht. Hetzelfde geldt voor het verschil dat de commissie maakt tussen een formele schikking na de oorlog, die nu niet meer kan worden aangetast, en daden van `berusting' die nu niet meer zouden gelden.

In het geval van openbaar kunstbezit komt daar nog de speciale verantwoordelijkheid van musea bij die Palmer signaleerde. De Britse adviescommissie wordt uitdrukkelijk een keuze gelaten tussen teruggave en het toekennen van een schadevergoeding. Een – niet uitdrukkelijk vermelde maar daardoor niet minder betekenisvolle – factor bij dit laatste kan het belang zijn dat een geroofd kunstwerk inmiddels in zijn nieuwe omgeving heeft. In Amerika, dat de discussie over de teruggave van oorlogskunst een nieuwe impetus heeft gegeven, is het inmiddels al verschillende malen gekomen tot een schikking waarbij de claim werd afgekocht. Dit aspect laat de Commissie-Ekkart open.

De commissie knoopt nadrukkelijk aan bij een aantal rechterlijke uitspraken over roofkunst van na de oorlog. Dat is op zichzelf begrijpelijk, want kunst is een individuele zaak die zich niet leent voor een collectief gebaar, zoals in het geval van effectenbezit of verzekeringen. Maar eigenlijk wil de commissie wel degelijk het rechtsherstel overdoen. Zij wil immers oude zaken kunnen openbreken.

Maatstaf is volgens de commissie of de handelwijze van de SNK volgens ons huidige rechtsgevoel in overeenstemming was met de normen van het rechtsherstel die na de oorlog zijn vastgelegd. De commissie waarschuwt zelf al dat dit tot rechtsongelijkheid kan leiden.