Trou Moet Blycken

Het Afrikaans is een jaloersmakende taal als het gaat om de namen van planten en dieren. De oorspronkelijke naamgevers beschikten over een grote vindingrijkheid, veel gevoel voor klank en poëzie en een zekere humoristische baldadigheid. Gelukkig de flora en fauna die benoemd werden in een gouden eeuw!

Vogelnamen als piet-my-vrou, janfiskaal en bokmakierie, plantennamen als katjiepiering, suikerbossie en koekmakranka prenten zich in je geheugen.

Ook Afrikaanse plekname (plaatsnamen) hebben vaak iets betoverends. Misverstand en Weglopersheuvel klinken in een Engelstalig milieu vanzelf exotisch. Zulke tongknopertjies worden door Engelstaligen op de zonderlingste manieren verbasterd, pardon, verengelst en veel zijn er ook verdwenen. De namen die nog bestaan zijn versteende namen geworden, een mythologische nomenclatuur. Namen van dorpen, streken, rivieren, huizen, die lang geleden kinderen al aan het lachen maakten, zoals in het gedicht In die baai van Hester Heese –

Ons lag vir die name van die huise

(...)

Kan-ni-kla-ni, Laatnag,

Vrolikheid,

Woelwaters, Rus-my-siel

– maar die in de poëzie toch vooral dienen om er het schrijnende gevoel van `voorbij' mee aan te duiden. Afrikaanse plekname zijn onherroepelijk gekoppeld aan melancholie. Weemoed om een tijd die is verdwenen, om een liefde die is weggeëbd. Een droom verstuift boven de Hartsrivier.

Waar begin, in watter berge,

die Sonderendrivier?

dichtte Hennie Aucamp in zijn Rit deur die lang Karoo. De Zondereindrivier, het is in het Afrikaans geen dichterlijke nieuwigheid, het is een ready made.

Taaiboskraal is die plek se naam

en kraalbostaai is hij

staat er bij George Weideman, in Ou Namakwalandse plaas. Afrikaanse dichters spelen met dit soort namen graag. Ik verdenk ze er van dat het ze vooral om de muziek te doen is –

Ek sien hoe name flits en weer

verdwyn:

Tsando, Kemptonpark en

Kaalfontein...

(W.E.G. Louw in Somerreis), maar de symbolische lading wordt wel degelijk uitgebuit. In honderden Afrikaanse gedichten is hun magie voelbaar, ze spelen hun glansrol in hun eigen godenrijk: Verlatepan, Spektakelbergpas, Knersvlakte, Verneukpan, Grootrivier, Riemvasmaak (een afgelegen verbanningsoord), Kaalvoetstraat, Rondomskrik, Soverby en nogmaals dat indrukwekkende Rus-my-siel.

Weemoedwalse van óu plekname. Zo heet een gedicht van Jannie Coetzee. De walsjes en tango's van het hart.

De klank- en gevoelswaarde van deze mythologie worden door Peter Blum perfect uitgebuit in zijn Aftelrympie. Twaalf plaasname (boerderijnamen) heeft hij nodig om het verval van Kleinbegin tot Allesverloren te schetsen. Twaalf kinderstappen, twaalf stadia. Er schemert nóg een Afrikaanse topos in door, de anonieme klacht van een arme boer uit een vorige eeuw –

Die sprinkhaan en die droogte

Is swaar op onse land

En wat van ons sal worde

Is bowe my verstand

– want ook bij Peter Blum knaagt en tornt de bergstroom en gaat de oogst achteruit, tot de boer alleen nog Sir over een bouwvallige stal is en Baas van kale ruïnes. Maar er is bovendien morrend werkvolk. Het essentiële van het gedicht is, dunkt me, dat de neergang inzet zodra de boer in de Vijandsvallei zijn individuele en onmaatschappelijke karakter benadrukt (`bly ver van my') en zijn erf schoon wil houden door, in Schoongezicht, 'savonds de luiken dicht te doen. Zo wordt Aftelrympie, gepubliceerd in 1955, een gedicht over een verkrampte met blikvernauwing – over een blinde die zijn verdiende loon krijgt. Genadeloos, in twaalf zweepslagen. Peter Blum is in de Afrikaanse poëzie een van de meest sociale dichters en zeker de meest profetische.

Geen wonder dat hij na twee bundels zweeg.