Staat moet meer kunst teruggeven

De Nederlandse staat moet een veel ruimhartiger beleid voeren bij de teruggave van oorlogskunst. Dit bepleit de commissie-Ekkart, die vanmiddag een advies aanbiedt aan staatssecretaris van Cultuur R. van der Ploeg.

De commissie-Ekkart begeleidt in opdracht van het ministerie van OC en W het onderzoek naar de herkomst van kunstvoorwerpen die in de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland werden gevoerd, na de oorlog werden gerecupereerd en in het bezit kwamen van het rijk.

Het Bureau Herkomst Gezocht ging in 1998 van start met als doel de oorlogsgeschiedenis van deze kunstvoorwerpen op te helderen, zodat eventuele claims beter kunnen worden behandeld. Het Bureau heeft ook onderzoek gedaan naar de werkwijze van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die van 1945 tot 1952 belast was met de terugkeer van kunst uit Duitsland en de teruggave aan de rechtmatige eigenaren.

De commissie-Ekkart velt een vernietigend oordeel over de SNK. De manier waarop de SNK na de oorlog claims van particulieren op kunstwerken afhandelde, wordt door de commissie gekarakteriseerd als `formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos'. De commissie wil dat de Nederlandse regering het tot nu toe gevoerde teruggavebeleid aanzienlijk versoepelt. Hiertoe worden een aantal aanbevelingen gedaan die vanmiddag door commissievoorzitter R. Ekkart worden aangeboden aan staatssecretaris R. van der Ploeg van Cultuur. Dit gebeurt tijdens een bijeenkomst in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, waar de nieuwe website Herkomst Gezocht, Kunst en Tweede Wereldoorlog (www.herkomstgezocht.nl) door de staatssecretaris officieel wordt geopend. De regering zal voor de zomer met een reactie komen op het advies van de commissie.

Bij het teruggavebeleid geldt nu als vuistregel dat de overheid alleen nog claims op kunstwerken in behandeling neemt als die niet eerder zijn ingediend of wanneer er sprake is van nieuwe, belangrijke gegevens. Als een kunstclaim na de oorlog door de SNK was afgewezen, kon er tot dusver niet opnieuw een verzoek tot teruggave worden gedaan.

Volgens de commissie-Ekkart moet dit veranderen en moet elke claim voortaan worden getoetst aan formele schikkingen met de Staat der Nederlanden of aan rechterlijke uitspraken van kort na de oorlog. In een aantal zaken waarbij de Raad voor het Rechtsherstel destijds een uitspraak moest doen over teruggave-kwesties, bleek de houding van de rechter duidelijk `milder' dan die van de SNK, zo oordeelt de commissie. Dit standpunt van de commissie betekent dat sommige claims die destijds door de SNK zijn afgewezen nu toch een kans maken.

Ook op andere punten moet volgens de commissie het huidige teruggave-beleid worden verruimd. Een van de voorwaarden voor teruggave is het `onvrijwillig bezitsverlies'. Kunstwerken die vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht, konden na de oorlog niet worden geclaimd, het eigendom verviel aan de staat. Maar de SNK hield te weinig rekening met het feit dat joden hun bezit vaak onder druk van de dreigende omstandigheden verkochten. Daarom wil de commissie alle verkopen van kunstwerken door joden in Nederland vanaf 10 mei 1940 voortaan beschouwen als gedwongen, dus onvrijwillige verkopen, tenzij duidelijk anders blijkt.

Kunstwerken die onder dwang aan de Duitsers waren verkocht werden na de oorlog teruggegeven als de oorspronkelijke eigenaar bereid was om het bedrag dat hij van de Duitsers had ontvangen terug te betalen aan de Nederlandse staat. De commissie wil dat die betalingsregeling nu minder strikt wordt toegepast. Vaak gebruikten joden de opbrengst van hun verkochte kunstwerken voor een poging het land te verlaten of onder te duiken.

De commissie adviseert om bij restitutie van kunstwerken die door joden aan de Duitsers waren verkocht alleen terugbetaling te eisen als de verkoper of zijn erven de opbrengst destijds `ter vrije beschikking kregen'. Bovendien moet aan de claimant in deze gevallen het voordeel van de twijfel worden gegund. Als er wel terugbetaald moet worden, dan wordt het van de Duitsers ontvangen bedrag geïndexeerd volgens het algemene prijsindexcijfer.

Na de oorlog zagen joden die onder dwang kunstwerken aan de Duitsers hadden verkocht soms af van de mogelijkheid die terug te kopen van de Nederlandse staat omdat ze daar geen geld meer voor hadden. De commissie wil deze mensen of hun erfgenamen nu alsnog de mogelijkheid geven hun voormalige bezittingen terug te kopen. Bij de vaststelling van het bedrag zal ook hier het prijsindexcijfer bepalend zijn.

Voor particulieren bleek het na de oorlog vaak moeilijk te bewijzen dat een bepaald kunstwerk hun eigendom was doordat in de oorlog bewijsstukken verloren waren gegaan.

De commissie wil dat bij de beoordeling van de bewijslast het voordeel van de twijfel bij de particulier ligt en niet bij de staat. Wel moet volgens de commissie zorgvuldig worden gekeken of een claim werkelijk betrekking heeft op het aangegeven kunstwerk. Wanneer een kunstwerk door verschillende mensen wordt geclaimd, bijvoorbeeld doordat het in de oorlog meermalen onvrijwillig in andere handen kwam, kan de zaak aan de rechter worden voorgelegd.