Runderbloed en reidansen

Bij binnenkomst in het Haagse Museon stuiten we niet alleen op de tentoonstelling `Geweven verhalen, de cultuur van de Miao in China', maar ook op een probleem. Een probleem dat zich bij antropologische onderwerpen vaker voordoet.

De Miao leven in de bergen van de Zuidwest-Chinese provincie Guizhou. Deze bevolkingsgroep telt in heel China circa zeven miljoen zielen en staat ook bekend onder de namen Meo of Hmoung. Voor de Chinezen heetten deze bergvolken eeuwenlang simpelweg `de zuidelijke barbaren'. De titel van de tentoonstelling geeft aan dat het om kleding gaat. Kleding waarin motieven zijn verweven die verwijzen naar verhalen uit de cultuur van de Miao. Alleen, het verhaal wat die cultuur precies inhoudt, ontbreekt.

In de tentoonstellingsruimte ligt een veelheid aan kleurrijke gewaden uitgestald. Op de achtergrond murmelt een aantal video's door elkaar heen. Op een van de programma's voeren jonge, mooi aangeklede vrouwen een trage reidans uit. Ze worden begeleid door mannen die een veelbuizige bamboefluit bespelen. Aan dit orgelachtige instrument, de lusheng, wordt een ijl geluid onttrokken. Volgens de spreekstem drukt de voortdurende herhaling van melodieën `de continuïteit van de oeroude cultuur en de herhaling van de seizoenen' uit.

Misschien dat het vijftonige gefluit door veel Westerlingen als dodelijk eentonig zal worden ervaren. Misschien dat de veelkleurige en extravagante textiele uitdrukkingsvormen van de Miao menig Westers oog aangenaam zal raken. Maar de vraag is, wat vertellen ons deze dingen en geluiden die we niet kennen? Hoe kunnen we die veelkleurige of monotoon klinkende `andersheid' interpreteren? Zeggen dat in de muziek de herhaling van de seizoenen klinkt, heeft iets arbitrairs.

De bezoeker ziet `feestkostuums' waarin groen, rood, roze en geel door elkaar zijn gebruikt in geometrisch geborduurde figuren. In vitrines liggen zilveren sieraden die aan Zeeuwse broches en Keltische gespen doen denken. Er hangen foto's aan de muren van rijstvelden en dorpen waarvan de daken van de huizen zijn gemaakt van boomschors. Er zijn beelden, voorwerpen en kledingstukken die door veel mensen als mooi zullen worden ervaren. Andere voorwerpen, zoals de dunne zilveren of zilverkleurige platen waarin motieven van vlinders, bloemen en vissen zijn gedreven, ogen `etnisch' in de zin van `had ook Guatamalteeks kunnen zijn'. Al die vormen en gebruiken roepen vragen op, maar aan antwoorden waagt het Museon zich niet.

Nu zou men daar tegenin kunnen brengen dat veel Westerlingen desgevraagd ook niet zullen weten waarom getrouwde mensen een ring dragen, waar het gebruik van de trouwring vandaan komt, of hoe oud dat gebruik is. Maar in een expositie over huwelijksrituelen in het Westen verwacht je naast bruidsjurken en trouwringen ook een kort exposé over de ontstaansgeschiedenis van die huwelijksgebruiken. Je verwacht een duiding van het getoonde. Dit ontbreekt op `Geweven verhalen, de cultuur van de Miao in China'.

Heel terloops wordt even `geduid'. Klederdracht heeft, aldus een van de videoprogramma's, de bedoeling duidelijk te maken tot welk dorp de drager hoort, of wat de huwelijkse status of welstand van de drager is. Sommige Miao-groepen zijn zelfs vernoemd naar hun dracht. De ene Miao-clan wordt `de honderd vogeltjes'-Miao genoemd wegens het desbetreffende motief in de jaks van de vrouwen. Andere heten: `de lange rokken'-Miao of `de witte'-Miao. Wat we niet te weten komen is of de gebruikte diersymbolen bijvoorbeeld verwijzen naar clantotems. Het zou kunnen dat de Miao een shamanistische cultuur hebben waarin die symbolen betekenis hebben. Het zou kunnen dat de clanklederdrachten allianties aangeven. We komen het op deze tentoonstelling niet te weten.

Afgaande op de foto's en de filmbeelden zou je kunnen denken dat de Miao hun kleurrijke cultuur hebben behouden ondanks een halve eeuw communistische grauwheid. Dat roept de vraag op hoe ze dat hebben kunnen doen. Waar haalden ze de tijd en het geld vandaan om zich over te geven aan weven, borduren en siersmeden. Het zou ook kunnen dat de Miao uitsluitend nog voor toeristen manden maken, kleding bewerken en dansen uitvoeren. Wanneer je in het filmzaaltje de presentator hoort zeggen: ,,Gelukkig zijn de Miao zo trots op hun tradities, dat hun cultuur niet zal verdwijnen'', heb je toch het idee dat er meer meespeelt dan trots alleen.

Wat het Museon toont is overigens vaak fraai om te zien. Zo hangen er kledingstukken van katoen die zijn bewerkt met runderbloed, waardoor ze een prachtige, rode gloed hebben gekregen. De video die mandenmakers toont, roept ontzag op voor de vaardigheid waarmee dunne bamboe `schenen' worden gevlochten tot containers van dubbelwandige rijsthouders of grote, wijdmazige manden waarin slachthonden worden vervoerd. Om die beelden is het Museon een bezoek zeker waard.

Geweven verhalen, de cultuur van de Miao in China t/m 27 okt. Museon, Stadshouderslaan 41, Den Haag. Open: di t/m zo (in vakanties ook op ma) 11-17u. Entree: volw ƒ13,50. Inl 070-3381338. Internet: www.museon.nl

Het gelijknamige boek bij de tentoonstelling kost ƒ25.