OORLOGSFIETS

De regel dat auto's geen voorrang hoeven te geven aan langzaam verkeer van rechts dateert van 8 oktober 1941, toen de Duitse bezetter bepaalde dat voortaan niet alleen trams, maar ook auto's en motoren voorrang hebben op andere weggebruikers. Het verordeningenblad uit 1941, besluit 193, artikel 13: ,,Op kruisingen en verenigingen van wegen van gelijke rangorde heeft hij, die van rechts komt, de voorrang, met dien verstande, dat motorrijtuigen en voertuigen, welke langs spoorstaven worden voortbewogen, de voorrang hebben boven andere weggebruikers.'' De maatregel stelde artikel 5 van het Motor- en Rijwielreglement 1927 buiten werking, waarin stond dat alle verkeer van rechts voorrang behoort te krijgen, ook van motorrijtuigen.

Sinds de Duitse inval op 10 mei 1940 was de auto door het verbod op benzine goeddeels uit het straatbeeld verdwenen. Er reden voornamelijk militaire voertuigen van de Duitsers. De rest van Nederland was op de fiets gesprongen. Tien dagen na de Duitse inval beschreef het Algemeen Handelsblad de situatie in Amsterdam: ,,Het verbod tot onnodig benzinegebruik, en het verdwijnen van de auto uit het Nederlandse stadsbeeld, als onmiddellijk gevolg van dit verbod, heeft voor fietsend Nederland nieuwe perspectieven geopend (–) Waar al die fietsen vandaan zijn gekomen is onbegrijpelijk, doch feit is, dat vrijwel iedereen, die tot voor kort in een auto rond reed, thans de fiets heeft genomen (–).'' Dat heeft volgens de krant ,,gevaarlijke consequenties'' gehad, ,,niet zozeer, omdat onze verkeerswegen niet op dit aantal fietsers zijn berekend, doch omdat vele nieuwbakken wielrijders het stalen ros te lang vergeten hebben en zij zich aarzelend, té aarzelend in de verkeersstroom voortbewegen.''

De kranten maakten gewag van de ,,anarchie'' in het verkeer. Op 24 juni 1940 schreef het Algemeen Handelsblad: ,,Bij voortduring blijkt, dat een groot deel van het Nederlandse publiek in de mening verkeert, dat met het wegvallen van bijna het gehele autoverkeer ook de plicht om de geldende verkeersvoorschriften op te volgen verdwenen is. Fietsers rijden onbezorgd midden op straat, voetgangers steken kris en kras over. Er kan hun nu immers toch niets gebeuren. Dit is echter even onjuist als gevaarlijk.'' In deze sfeer wordt de nieuwe Wegenverkeersregeling opgesteld. Behalve een degradatie van de fietser op kruisingen mogen ze ook niet meer met losse handen rijden.

Op 9 juli 1942 kwam uit Duitsland de oekaze dat binnen twee weken vijftigduizend, liefst honderdduizend fietsen in beslag moesten worden genomen. De Wehrmacht zou ze nodig hebben als de geallieerden via Nederland een inval zouden doen. Er werden in totaal 53.000 fietsen gevorderd. De rest lieten de Duitsers zitten, volgens Loe de Jong in zijn standaardwerk omdat de ,,politieke kosten'' van de maatregel hoog waren. De Jong citeert de Duitse Feldkommandantur: ,,De Nederlander, die bijna met de fiets geboren wordt, ziet in de inbeslagneming hiervan zo ongeveer het ergste, wat hem kon treffen.''