Arts vóór `Brongersma' niet vervolgd

Het openbaar ministerie heeft het in ten minste twee gevallen onnodig gevonden een arts te vervolgen die hulp bij zelfdoding gaf aan een patiënt die levensmoe was.

Dit schrijft de Amsterdamse huisarts F. Wibaut in het vakblad voor artsen Medisch Contact dat morgen verschijnt. Wibaut was in beide gevallen, in 1998 en 1999, zelf de persoon die de hulp bij zelfdoding gaf en meldde dit ook, zoals de regels voorschrijven. Beide keren kreeg hij evenwel van het OM te horen dat geen strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld.

Dit is opmerkelijk, omdat hetzelfde Amsterdamse OM vrijdag nog de publiciteit zocht met de mededeling dat het ,,tijd' werd ,,een grens te trekken' bij levensmoeheid als een vorm van ondraaglijk lijden die hulp bij zelfdoding rechtvaardigt. Dinsdag eiste het OM daarom in hoger beroep schuldigverklaring van de Haarlemse huisarts P. Sutorius die, eveneens in 1998, oud-senator E. Brongersma hulp bij zelfdoding gaf, omdat hij levensmoe was. Wibaut noemt dat willekeur.

Ondraaglijk lijden is een van de voornaamste zorgvuldigheidscriteria die gelden voor hulp bij zelfdoding. De rechtbank heeft Brongersma's situatie in oktober als een vorm van ondraaglijk lijden erkend, maar de Amsterdamse hoofdadvocaat-generaal E. Myjer stelt dat de jurisprudentie daarvoor nooit aanleiding heeft gegeven. Hij sprak van ,,een zeer principieel punt''.

Myjer zei vanmorgen de zaken van Wibaut persoonlijk niet te kennen. ,,Maar dit móet bij het college van procureurs-generaal terecht zijn gekomen'', aldus Myjer. Dit omdat het regel is dat de top van het OM in alle zaken aangaande euthanasie of hulp bij zelfdoding uiteindelijk beslist of tot vervolging moet worden overgegaan, als de zorgvuldigheidscriteria in het geding lijken te zijn. Het college van PG's besliste ook tot vervolging in de zaak-Brongersma. Een woordvoerder van het college kon vanmorgen nog niet zeggen welke afwegingen precies tot niet-vervolging van Wibaut hebben geleid.

Advocate M. Oosting, raadsvrouwe van Sutorius in de zaak-Brongersma, meent dat nu sprake is van rechtsongelijkheid die het mogelijk maakt het OM niet-ontvankelijk te verklaren. T. Schalken, hoogleraar strafrecht aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, zegt ,,maar één vergelijkbaar geval'' te kennen waarbij dit is gelukt: ,,Rechtsongelijkheid zit in ons rechtssysteem ingebakken.'' Bovendien zou het ,,te rechtvaardigen'' zijn als het OM de zaak-Brongersma als proefproces heeft gekozen om grenzen te verkennen.