Amerika beseft niet dat de wereld is veranderd

De Verenigde Staten bewijzen momenteel keer op keer niet te beseffen dat na de Koude Oorlog de klassieke machtspolitiek niet meer werkt. Volgens Robert E. Hunter moet een middenweg gezocht worden tussen wereldrijk en isolement.

De Verenigde Staten kunnen uit de crisis met China ten minste drie lessen trekken over hun rol in de wereld. Ten eerste dat de invloed van de VS sinds het einde van de Koude Oorlog in een groot deel van de wereld is afgenomen. En dat terwijl hun macht vroeger ver reikte, verder dan ooit vertoond was sinds de val van het Romeinse Rijk. Ten tweede dat minder machtige landen onevenredig sterke druk kunnen uitoefenen op de VS door iets wat de Amerikanen koesteren te bedreigen: in dit geval de vrijheid van 24 mannelijke en vrouwelijke militairen. Ten derde dat we nu in het tijdperk van onderlinge afhankelijkheid leven: zelfs met het communistische China zijn we in economisch en politiek opzicht zo sterk verweven dat het ene land het andere niet kan schaden zonder er zelf nadeel van te ondervinden.

Als president Bush tot de juiste conclusies komt – en die zullen niet overeenkomen met de huidige retoriek – kunnen de Verenigde Staten een nog fundamentelere les uit dit alles trekken: dat Washington de wereld van na de Koude Oorlog alleen kan beheersen als er een manier wordt gevonden om de macht van de VS om te zetten in permanente invloed.

Het denkbeeld dat de Verenigde Staten na de ineenstorting van de Sovjet Unie de wereld zouden beheersen, berustte op een verkeerde vooronderstelling, namelijk dat andere landen vanzelf de leider zouden volgen. Het tegendeel is waar. Grote mogendheden komen in paren voor. Zonder het beteugelende effect van een concrete boeman waartegen de bescherming van de VS nodig is, gaan de meeste landen hun eigen gang.

Tegelijkertijd heeft de Amerikaanse samenleving besloten niet de prijs van de klassieke wereldrijken te betalen, en geen levens en geld in te zetten om ander landen te dwingen naar Amerika te luisteren. Hoewel er nu geen serieuze rivaal meer is, hebben de Verenigde Staten de afgelopen tien jaar geen vierkante meter land buiten hun grenzen bezet, wordt er minder geld besteed aan diplomatie dan in de relatief simpele tijden van de bipolaire wereld, is buitenlandse steun – vroeger deels bedoeld om `zielen' te winnen – vrijwel gestaakt. Er is een oorlog gevoerd in Kosovo, waarin de Amerikanen terecht hebben aangedrongen op de inzet van alle NAVO-bondgenoten en zich tot doel hadden gesteld het aantal slachtoffers aan de kant van de bondgenoten beperkt te houden (er waren er geen). Dat is geen stijl van optreden die men direct koppelt aan het begrip wereldrijk.

Maar het is ook niet wat men van isolationisme verwacht, een streven dat Amerika voorgoed achter zich heeft gelaten dankzij de globalisering en dankzij meer dan een halve eeuw van activiteit, betrokkenheid, verantwoordelijkheid en leiderschap in het buitenland. Vanuit het perspectief van andere landen is de economische macht van de Verenigde Staten inderdaad zeer groot, al wordt die macht niet zozeer door Washington, maar door de particuliere sector uitgedragen. Die economische en culturele macht leidt bij velen tot imitatie, maar is voor anderen een bron van irritatie.

Ook is het territorium van de Verenigde Staten zelf sinds Pearl Harbor niet vaak meer bedreigd. Maar er zijn mensen die Amerika weinig goeds toewensen – of die tegen hun buurlanden willen optreden zonder dat de VS zich ermee bemoeien – en zij maken zich langzamerhand de kunst van de `asymmetrische oorlogvoering' eigen: ze proberen wapens te bemachtigen (eventueel ook kernwapens) die niet in verhouding staan tot andere methoden van nationale machtsuitoefening, of grijpen naar een vorm van terrorisme die gericht is tegen alles wat maar Amerikaans is.

Deze in de geschiedenis unieke situatie dwingt Amerika een middenweg te zoeken tussen het streven naar een wereldrijk en naar isolement, waarbij anderen niet mogen denken dat Amerika zich arrogant opstelt, en Amerika zich ook niet zo sterk op potentiële dreigingen concentreert dat het land geen oog meer heeft voor de geboden mogelijkheden.

In de jaren negentig zijn de Verenigde Staten zich gaan richten op zaken die in de toekomst nodig zijn: men accepteerde de noodzaak de traditionele bondgenoten en partners te steunen, men besefte dat als de Amerikanen de leiding niet namen niemand anders die lacune zou opvullen, en men zag het nut in van het bevorderen van democratie als doel op zichzelf in plaats van als instrument in de Koude Oorlog.

Omdat de voormalige president Bush het belang van mondiale stabiliteit op lange termijn inzag, maakte hij zich niet vrolijk over de val van de Sovjet Unie, maar stelde hij zich positief op tegenover Rusland. Hij en president Clinton begrepen dat het van belang was de NAVO weer op te bouwen en de Europese Unie te steunen teneinde een gemeenschappelijk en vrij Europa te scheppen. En Clinton werkte verder aan het mondiale handelsstelsel en de ontwikkeling van regels voor een mondiale economie.

Uit die inspanningen vallen drie thema's te distilleren: ten eerste moeten de Verenigde Staten een voorbeeld vormen voor de mondiale samenleving. Eenzijdigheid – iets dat onder Clinton tot uiting kwam toen de Senaat het verdrag tot het uitbannen van kernproeven afwees, en onder George W. Bush bij de verwerping van eerder afgesproken normen ter vertraging van het broeikaseffect – vormt een slecht voorbeeld (en geeft ook niet bepaald blijk van betrouwbaarheid). Een dergelijke houding is bovendien voor andere landen een argument om zelf hun afspraken niet na te komen en is op den duur dus ook niet in het belang van de VS.

Ten tweede kunnen de Verenigde Staten hun macht alleen in duurzame invloed omzetten als ze helpen de mentaliteit, de praktijk, de processen en de instellingen zoals de nieuwe Wereldhandelsorganisatie en de gemoderniseerde NAVO – tot stand te brengen, die goed zijn voor Amerika omdat ze ook goed zijn voor andere landen.

En ten derde is het gezamenlijke streven van de ontwikkelde landen om een oplossing te vinden voor massale migratie, internationale misdaad, volksziekten, genocide en de specifieke problemen van de globalisering essentieel voor de toekomst waarin we willen leven.

Deze adviezen zijn bij lange na niet toereikend voor alle situaties in de wereld van macht, armoede, oorlog en vrede, maar ze vormen wel een noodzakelijk begin. Als de regering van Bush na de problemen met China van de afgelopen weken tot dit inzicht komt, kan ze een tactisch succes omzetten in een strategisch voordeel voor de lange termijn.

Robert E. Hunter is adviseur van Rand Corp. en was van 1993 tot 1998 Amerikaans ambassadeur bij de NAVO.©LAT-WP newsservice

    • Robert E. Hunter