AANSPRAKELIJKHEID

In 1997 was iedereen nog in rep en roer. Aanleiding was het wetsvoorstel van de toenmalige minister van Justitie, Sorgdrager, om automobilisten bij een botsing met fietsers of voetgangers altijd aansprakelijk te stellen voor de schade, ook als de bestuurder van de auto geen enkele schuld zou hebben aan het ongeval. Door de schuld in alle gevallen bij de automobilist te leggen, zou een einde komen aan de vaak lange procedures na verkeersongevallen over schadevergoeding.

Het plan leidde tot woedende reacties, zowel bij automobilisten als bij verzekeraars. Volgens het Verbond van Verzekeraars zou een dergelijke wet de verzekeringspremies voor automobilisten sterk doen stijgen.

Onder druk van de kritiek besloot Sorgdragers opvolger Korthals het wetsvoorstel in 1999 in te trekken. Ook Korthals wilde de aansprakelijkheid voor een ongeluk bij de automobilist leggen, maar hij voorzag in een ontsnappingsmogelijkheid indien de fietser of voetganger `roekeloos' zou hebben gehandeld. Hoewel de tegenstanders die stap wel als een verbetering beschouwden, waarschuwden zowel verzekeraars als letselschadespecialisten ervoor dat ook de invulling van het begrip `roekeloos' tot eindeloze procedures zou kunnen leiden. Sindsdien is van het wetsvoorstel weinig meer vernomen.

Zonder nieuwe wet geldt de jurisprudentie die in de loop van de jaren is gegroeid. Kort samengevat komt het erop neer dat bij een ongeluk tussen bijvoorbeeld een auto en een fietser de risico-aansprakelijkheid in ieder geval voor de helft bij de automobilist ligt. De verdeling van de resterende 50 procent is afhankelijk van de schuldvraag: wanneer de autorijder en de fietser beiden evenveel schuld dragen, dan draait de automobilist dus op voor 75 procent van de schade.

Die regel gaat alleen op wanneer de bestuurder van het ongemotoriseerde voertuig ouder is dan veertien jaar. Is hij of zij jonger, dan wordt de automobilist vrijwel altijd voor 100 procent aansprakelijk gesteld.