Verdomd, dat is mijn verhaal

Kortgeleden is op de dijk bij Ouwerkerk op het Zeeuwse Schouwen-Duiveland het Museum `Watersnood 53' geopend. Het museum is gevestigd in een nu bijna vijftig jaar oude caisson, die om 23.57 uur op 6 november 1953 in het laatste sluitgat werd afgezonken. Het gat van Ouwerkerk was een van de grootste gaten die in de stormnacht van 1 februari 1953 in de Zeeuwse dijken waren geslagen. 1 februari 1953 is een datum die nog altijd door de Zeeuwen wordt beleefd. In één klap werden huizen, schuren, ja hele dorpen door een vloedgolf weggeslagen: 1.853 doden, duizenden gewonden.

Waarom viel er een uitnodiging voor de opening van dat museum op m¡jn deurmat? ,,Omdat'', zei Ria Geluk, initiatiefneemster van het museum, ,,u er toch veel mee te maken heeft gehad?'' Het dringt pas tot me door als ik op een mooie voorjaarsdag bij het museum arriveer. Dat is namelijk gevestigd op de Weg van de Buitenlandse Pers 1 in Ouwerkerk. Jawel, het was eind jaren vijftig dat ik als jongste bestuurslid van de Buitenlandse Persvereniging (BPV), de club van buitenlandse correspondenten, werd afgevaardigd om (in 1958) de Buitenlandse Persweg te openen. We kwamen na een eindeloze reis aan in een totaal verwoest dorp. Het land was grauw met bomen als dode staketsels.

De buitenlandse pers, zo vonden de Zeeuwen, had veel voor Zeeland gedaan, had het nieuws van februari 1953 over de wereld gebracht waardoor hulp en medeleven toestroomden. Daarom kregen wij die Buitenlandse Persweg – die tot mijn verbazing nog steeds bestaat.

Ik loop het museum in, waar de radiostemmen van VARA-verslaggevers Jan de Troye en Arie Kleywegt de betonnen hal vullen met de verslagen van de sluiting in november '53. Op een tafel liggen knipsels achter glas. Ik herken de opening van mijn krant uit die jaren: `Van onze Speciale Verslaggever in het Rampgebied Zuid-West Nederland, 2 februari 1953.' Verdomd, het is mijn verhaal. De aardappelkoopman uit Oude Tonge, op Goeree-Overflakkee: ,,Er liggen 186 doojen op de dijk bij ons.'' Dat was geschreven op de avond van 1 februari 1953 op een hotelkamertje in Ossendrecht...

Het was die avond, bij het vallen van de duisternis, de eerste maal dat wij beseften hoe verschrikkelijk die ramp was. We wisten totaal niets van Zeeland, er was geen enkele telefoonverbinding, gammele radioberichten. Ik was die zondag om vier uur 's morgens uit mijn bed gebeld door mijn chef nieuwsdienst van Het Parool. ,,Er is iets met een dijk bij Willemstad'', zei hij, ,,ik stuur de redactieauto.'' Het was koud, ijskoud, het sneeuwde. Bij het Hollandsch Diep is de weg weggeslagen. De brug is er wel, maar we kunnen er niet over. Ik plons terug in de auto en besluit dat we richting Zeeland moeten, via Den Bosch. Er zijn nog geen snelwegen, we doen er dus lang over.

Tegen het vallen van de avond bereiken we bij toeval het vliegveldje bij Ossendrecht. We kunnen zo binnenrijden, niemand aan de poort. Dat is ongewoon. De officiersmess is open, aan de bar zitten sombere luchtmachtpiloten. Ze hebben twintig lesvliegtuigjes met noodrantsoenen klaar staan om in Zeeland te droppen. Zeeland is – zeggen ze – geheel verzwolgen. Maar ze mogen niet droppen van de staf in Den Haag.

Plotseling horen we motorgeronk, het is bijna donker. Buiten daalt de enige helikopter die ons land rijk is, een marinehelikopter. Er klimt een marineofficier uit en een dikke man, die tot zijn middel doornat is. Dat is de aardappelkoopman uit Oude Tonge. Hij praat over die 186 doden en ik besef – nu pas – hoe afschuwelijk het is. ,,Er zitten ook nog een paar honderd vluchtelingen in de kou op de dijk'', zegt-ie, ,,voor de rest is alles water.''

De marineofficier kijkt me aan: ,,Wie ben jij?'' Ik zeg het, verslaggever van de krant. ,,Jij moet mee. Morgenochtend om acht uur hier, jij moet vertellen hoe erg het daar is. Jij moet de mensen wakker maken.''

Ik sta er dus die volgende ochtend. Er staan landmachtgeneraals met sterren en er landen Amerikaanse vliegtuigen uit Duitsland met hulpgoederen. En daar is óók de marineofficier met zijn helikopter. ,,Wat is dat voor een burger'', bast een generaal. ,,Daar hebt u geen reet mee te maken, ik ben van de marine'', snauwt de vlieger terug. Hij hijst me in een rubber Mae West, en ik zit naast hem in de piepkleine heli. Ik ben eigenlijk als de dood. Maar als het licht doorbreekt, vliegen we over een sombere watervlakte. ,,Dit is Schouwen-Duiveland'', zegt de piloot. Er zitten mensen op de daken die met witte lakens zwaaien. Hij landt op een dijkje aan de rand van Zierikzee, dat gedeeltelijk droog staat. ,,Hier haal ik je om zes uur vanavond op.''

Ik poog de stad in te gaan, er lopen loeiende koeien die gemolken moeten worden, maar hun boer is waarschijnlijk dood. Er liggen ook aangespoelde koeienlijken. In het stadhuis zit een burgemeester, een jonkheer die volkomen van slag is. Leiding ontbreekt, er is geen verbinding, er is geen stroom. Er zijn nog wel kolen om de potkachel in het stadhuis te stoken. Ik roei mee met hulpverleners, we halen mensen van de daken, sommigen al doodziek met longontsteking. Ze zijn van de daken in het ijskoude water gegleden. Om zes uur 's avonds sta ik op mijn dijkje, waar de heli me zou halen. Tevergeefs, hij kreeg motorpanne, vertelt hij me weken later.

Hoe moet ik nu mijn verhaal kwijt? Telefoons zijn dood. In de verwoeste haven vind ik een plezierboot met een Rode-Kruisvlag. Hij heeft gewonden aan boord die naar het vasteland moeten. Mag ik mee? Ja, natuurlijk. En we varen, de stikdonkere Oosterschelde op. Ik sta naast de schipper. Hij komt uit Den Bosch, is komen helpen. ,,Kent u dit water?'' Nee, hij is er nog nooit geweest. ,,Weet u dat alle bakens zijn weggeslagen?'' Nee, dat weet hij niet. Binnen een uur lopen we op een bank. Het water zakt en het schip hangt al aardig over. Beneden staat een Rode-Kruiszuster bruine boterhammen te smeren, waar ze kaas op legt. Ik eet er twee. Dan, o wonder, klinkt er een scheepstoeter en zien we een schijnwerper. Het is de rivierpolitie, die maar eens komt kijken. Hij neemt ons allemaal mee, nauw, maar veilig. En brengt ons naar Yerseke.

In de enige kroeg die nog open is, pak ik een borrel en schrijf mijn verhaal op wc-papier, het opschrijfboekje is vol. Die nacht brengt een visser me naar Hansweert, ik slaap op zijn netten. En 'smorgens brengt een bootje me naar de haven van Bergen op Zoom. Het is eb, en dan moet je een heel eind tegen de kade opklauteren om boven te komen. Daar staat, jawel, de chauffeur van de krant. ,,Ik dacht'', zei hij, ,,hij duikt wel ergens op. Waar gaan we heen?'' ,,We gaan bellen'', zeg ik.

    • Friso Endt