Slang in het belastingparadijs

Is de financiering van buitenlandse deelnemingen aftrekbaar van de winst? Een negatieve uitspraak van het Europese Hof kan het vestigingsklimaat in Nederland verslechteren.

Het is zo'n mooie regeling, vindt zo langzamerhand half Europa. Net nu veel lidstaten bezig zijn met de invoering van een deelnemingsvrijstelling naar Nederlands model, ligt deze ,,vestigingsklimaat bevorderende maatregel'' in Nederland onder vuur. De puur op nationale deelnemingen geformuleerde aftrek is wellicht in strijd met ,,de groot-Europese gedachte''.

Eind vorige week vroeg de Hoge Raad der Nederlanden in een zaak over de aftrekbaarheid van de financiering van buitenlandse deelnemingen advies aan het Europese Hof van Justitie. Een formaliteit, omdat het een uitspraak betreft waar Europese regelgeving op van toepassing is, maar toch. Het betreft de vraag of de financiering van buitenlandse deelnemingen (een belang van 5 procent of meer in een buitenlandse onderneming) in Nederland mag worden afgetrokken van de winst, net als bij binnenlandse deelnemingen het geval is. Nee, zegt de fiscus, want over winst uit het buitenland wordt ook geen belasting geheven. Ja, zegt de ondernemer, omdat er voor binnen- en buitenlandse deelnemingen formeel geen onderscheid gemaakt hoort te worden.

In 1999 klaagde een Nederlandse ondernemer in licenties en royalties de Belastingdienst aan omdat hij de financiering van zijn buitenlandse deelnemingen (over het jaar 1993 in dit geval) niet af mocht trekken van de winst. De kosten die de ondernemer maakt om de deelnemingen te verwerven zijn immers kosten die ten laste gaan van de winst. En omdat de in Nederland gevestigde ondernemer moeilijk bij, zeg, de Duitse fiscus aan kan kloppen om de kosten van zijn Duitse deelneming op te verhalen, moet de Nederlandse Belastingdienst de aftrek accepteren.

De Nederlandse wet waarin de regeling voor de aftrekbaarheid van binnenlandse deelnemingen is geregeld, dateert van 1969. Sindsdien is er echter een groot aantal Europese regelingen aangaande belasting van winst bijgekomen. De ondernemer die de zaak tegen de fiscus heeft aangespannen wil nu weten of de Nederlandse wet niet in strijd is met het Europese gedachtengoed.

In eerste instantie kreeg de fiscus gelijk. Een uitspraak van de rechtbank in Arnhem bepaalde dat de regeling slechts voor binnenlandse deelnemingen gold, conform de wet uit 1969. Echter, de doorgeleiding van de Hoge Raad naar het Europese Hof van Justitie heeft nu grote onzekerheid veroorzaakt bij belastingadviseurs. Machiel Lambooij, voorzitter van de wetgevingscommissie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), zegt: ,,Het is een dubbeltje op zijn kant, het kan beide kanten op vallen.''

Theoretisch is het denkbaar dat het Europese Hof, indachtig het groot-Europese ideaal, ook buitenlandse deelnemingen aftrekbaar wil maken. Immers, het vrije verkeer van mensen en goederen en de interne markt wordt er in zekere zin door belemmerd.

Mocht de uitspraak voor de Nederlandse fiscus negatief uitvallen, dan zijn de gevolgen enorm. Sceptici, waaronder Lambooij van de NOB, verbinden het lot van de aangekondigde verlaging van de vennootschapsbelasting zelfs aan de beslissing van het Hof. Die verlaging zal naar verwachting gefinancierd worden door op andere fronten meer belasting binnen te halen. Maar het openstellen van de deelnemingsvrijstelling voor buitenlandse deelnemingen kost de fiscus naar schatting honderden miljoenen guldens (met terugwerkende kracht). Daardoor is er nog maar weinig ruimte om andere belastingmaatregelen ter stimulering van het bedrijfsleven te nemen. En dat kan desastreuse gevolgen hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat, dat juist zoveel baat had bij de deelnemingsvrijstelling.

Het ministerie van Financiën wil daar vooralsnog niets van weten. Een woordvoerder zegt: ,,De commissie Van Rooy (onder voorzitterschap van oud-staatssecretaris Yvonne van Rooy, red.) is nu bezig voorstellen uit te werken voor de vennootschapsbelasting. Die zijn voor de zomer gereed. De uitspraak van het Hof laat wellicht één tot twee jaar op zich wachten. Dat staat er voor ons los van.''

    • Egbert Kalse