Ongezond gedrag laat zich moeilijk beïnvloeden

Pogingen om het gedrag van ongezond levende mensen te verbeteren, zoals gisteren de commissie-Albeda bepleitte, hebben wisselend effect gehad. Een overzicht van wat goed en fout ging, ontbreekt.

Aan de hulpverlening zal het niet liggen. Honderden projecten in heel Nederland zijn erop gericht de gezondheid van lager opgeleiden, vaak afkomstig uit sociaal lagere klassen, te verbeteren. Deze initiatieven zijn echter veelal klein en plaatselijk en drijven vooral op goede bedoelingen, zegt professor Mackenbach, secretaris van de commissie-Albeda.

Deze commissie stelde in haar gisteren verschenen rapport dat de gezondheid van lager opgeleiden beduidend slechter is dan die van hoger opgeleiden. Ze benadrukte de noodzaak van speciale voorlichtingscampagnes die lager opgeleiden aanzetten tot gedragsverbetering, bijvoorbeeld op het gebied van roken, bewegen en eten.

Campagnes en projecten uit het verleden hadden echter wisselend succes. Het rapport van de commissie-Albeda geeft een indruk van de projecten die momenteel lopen. De commissie riep initiatiefnemers van gezondheidsprojecten voor lager opgeleiden op via krantenadvertenties om zich te melden. Van de vijftig à honderd aanmeldingen heeft de commissie er twaalf geëvalueerd, waarvan het succes sterk wisselend blijkt.

Het tandenpoetsproject van GGD Midden Limburg werd een succes. De groep zes- en zevenjarige kinderen op de basisschool, die eenmaal daags klassikaal ging tandenpoetsen, poetste na afloop van het project beduidend vaker. De verschillen in poetsgedrag tussen kinderen uit lagere- en hogere sociale milieus, die aanvankelijk bestonden, bleken verdwenen. Het effect van het project om middelbare scholieren van bijvoorbeeld mavo's klassikaal te laten stoppen met roken, is minder duidelijk. Inzet van de zogenaamde Operatie Tegengif was om klassen waar 90 procent van de leerlingen vijf maanden niet rookte, geldelijk te belonen. Volgens de de commissie-Albeda is echter onduidelijk of de aanvankelijk positieve effecten op lange termijn werden volgehouden. Mislukt zijn de twee regionale campagnes om zwangere vrouwen uit lagere sociaal-economische milieus aan te zetten tot het slikken van foliumzuur. Het verschil in slikgedrag tussen de doelgroep en hoger opgeleide zwangeren bleek na afloop even groot.

Professor Mackenbach laat in een reactie weten dat er ,,op dit moment een overzicht ontbreekt van wat werkt en wat niet werkt''. Hij bepleit de instelling van een stuurgroep die een landelijke inventarisatie maakt van bestaande interventie- en voorlichtingsprojecten en richtlijnen opzet die de kwaliteit en het succes van toekomstige projecten kan verbeteren. Bovendien is volgens Mackenbach van belang om een landelijke opzet te bedenken voor voorlichtings- en hulpprojecten voor laagopgeleiden, voor instellingen en beroepsgroepen zoals GGD's, arbodiensten en huisartsen. Deze ondernemen nu al veel activiteiten op dit gebied.

In reactie op de aanbevelingen van de commissie-Albeda laat een woordvoerder van het ministerie van Volksgezondheid (VWS) weten dat het overweegt om in de toekomst specifieke doelgroepcampagnes te maken. Tot op heden maakte het ministerie uitsluitend campagnes, die gericht zijn op de hele Nederlandse bevolking. Andere instellingen, zoals de Stichting Volksgezondheid en Roken (Stivoro) zijn onlangs begonnen met campagnes om de gezondheid van lager opgeleiden te verbeteren. Zo begon Stivoro onlangs een pilot met huisartsen om het rookgedrag van patiënten te beïnvloeden.