Juíst een senator kon dit lijden niet aan

Zijn vitaliteit was `van een andere orde' dan dat van doorsnee mensen. Het hoger beroep in de zaak-Brongersma sneed gisteren een elitekwestie aan: het recht op `levensmoeheid' en de zelfgekozen dood.

Hebben sommige mensen meer recht op lijden dan anderen? Zo zegt huisarts P. Sutorius het niet. Maar tot die conclusie leidt zijn redenering onontkoombaar.

Het is precies de reden waarom het openbaar ministerie gisteren bij het Amsterdamse hof in beroep ging tegen het vonnis van de Haarlemse rechtbank in de zaak-Brongersma. ,,Het wordt tijd een grens te trekken'' bij levensmoeheid als grond voor zelfdoding, zei hoofdadvocaat-generaal E. Myjer.

De rechtbank oordeelde vorig jaar dat Sutorius de oud-PvdA-senator in 1998 terecht hulp bij zelfdoding had gegeven. Brongersma was toen 86 en ervoer het leven al enkele jaren als zinloos en troosteloos. In 1993 had hij Sutorius zelfs al per brief verzocht om `de pil van Drion', een zelfdodingsmiddel voor hoogbejaarden, dat nog niet bestaat: ,,Mocht u ooit de weg zien mij aan zo'n pil te helpen, dan houd ik mij ten zeerste aanbevolen!''

Cruciaal in het vonnis van de rechtbank was het standpunt dat `ondraaglijkheid' van lijden alleen door de betrokkene zelf getoetst kan worden. Ondraaglijk en uitzichtloos lijden zijn naast een verzoek om hulp de voornaamste criteria voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. Het oordeel van de Haarlemse rechbank was gebaseerd op twee baanbrekende arresten van de Hoge Raad. Die oordeelde in 1984 in de zaak van een 95-jarige vrouw dat ondraaglijk lijden ook kan bestaan in `toenemende ontluistering' van een leven. De vrouw kon het niet langer verdragen door haar handicaps afhankelijk te zijn. In 1994 volgde het arrest in de zaak-Chabot. Psychiater B. Chabot hielp een fysiek gezonde vrouw van 50 bij zelfdoding. Zij leed aan een psychiatrische aandoening. Hier oordeelde de Hoge Raad dat ,,de oorzaak van het lijden niet afdoet aan de mate waarin dat lijden wordt ervaren''.

De Haarlemse rechbank nam genoegen met de ondraaglijkheid van lijden die Brongersma zelf ervoer. Diens hoge leeftijd was bovendien voldoende reden om van `uitzichtloosheid' te kunnen spreken. Bovendien had Sutorius zich aan alle andere zorgvuldigheidscriteria gehouden.

Advocaat-generaal Myjer vindt evenwel dat de rechtbank ,,weer een verdere stap'' heeft gezet ,,op een volgens sommigen toch al hellend vlak''.

Myjer verwees naar de artsenorganisatie KNMG. Die schreef aan de Tweede Kamer dat het vonnis ,,verder gaat dan tot nu toe gangbaar is''. Ook haalde Myjer het internationale onbegrip over de Nederlandse euthanasiewet aan, en de consternatie die minister Borst (Volksgezondheid) veroorzaakte toen zij zei in principe ,,niet tegen'' een `pil van Drion' te zijn. Ook naar het standpunt van minister Korthals (Justitie), die bij behandeling van de euthanasiewet in de Eerste Kamer over levensmoeheid als grond voor zelfdoding zei dat eerst het hoger beroep in de zaak-Brongersma moest worden afgewacht, verwees hij: het is tijd voor ,,jurisprudentiële duidelijkheid.''

Het OM wil een grens markeren, meer niet. Myjer kondigde vrijdag dan ook al aan geen straf te zullen eisen, omdat Sutorius die grens daargelaten alles in het werk stelde om ,,ontzaglijk'' zorgvuldig te zijn. Zo'n voortijdig requisitoir is zeer ongebruikelijk. Evenals het feit dat Myjer ,,voor het eerst'' in zijn leven een uitvoerig voorgesprek met een verdachte hield. Sutorius was nog zichtbaar onder de indruk van het gesprek en knikte zijn aanklager meermalen vertrouwelijk toe.

Oók uit het Chabotarrest, betoogde Myjer, is af te leiden dat het lijden wél ,,objectief medisch te duiden'' moet zijn: een arts moet alleen dat doen waarvoor hij is opgeleid, en dat is het vaststellen en behandelen van lichamelijke of medische kwalen. Sutorius betoogde dat dat nu juist was wat hij deed. In het vademecum van de huisarts staat immmers dat een huisarts ,,geen ziekten, maar patiënten'' behandelt. En het welzijn van een patiënt, zei Sutorius, moet een huisarts altijd beoordelen in de context van diens leven.

Sutorius gaf overtuigende voorbeelden. Neem een man die langskomt met pijn op de borst, een klacht die op een hartinfarct duidt. Een huisarts die weet dat de man eronder gebukt gaat dat hij zijn echtgenote naar het verpleeghuis heeft moeten brengen, stelt een andere diagnose.

Hoezeer hier desondanks het hellend vlak in zicht komt waarvoor Myjer waarschuwt, bleek toen dezelfde redenering op Brongersma werd toegepast. Zijn medische klachten? ,,Duizelingen, loopstoornissen en incontinentie'', zei getuige J. Wassenberg, de huisarts die Sutorius de vereiste second opinion gaf. Zulke klachten kunnen door ieder ander misschien als te aanvaarden ongemakken worden gezien, betoogden beide huisartsen, maar juist niet door de oud-senator. Waarom? Omdat Brongersma ,,een uiterst ontwikkelde, erudiete man'' was, wiens vitaliteit aardoor van een andere orde was dan ,,wat het voor een ander is''. Zo zei Wassenberg het. Brongersma behoorde met andere woorden tot een elite, die het recht heeft andere eisen aan het leven te stellen dan anderen: ,,Incontinentie ligt in een heel ander sociaal bed als je kennissen incontinent zijn'', zei Wassenberg.

`Andere' mensen hebben weinig te kiezen, of kunnen hun lijden misschien niet zo overtuigend onder woorden brengen als Brongersma deed. Wassenberg zei enigszins lacherig dat hij met Brongersma had gesproken over bejaardenhuizen waar de ,,pakken vol incontinentieluiers'' hoog zouden zijn opgestapeld. Brongersma vond dat ,,verschrikkelijk banaal.''

De vraag die gisteren onbeantwoord bleef, is hoe ondraaglijk Sutorius en Wassenberg het lijden zouden inschatten van de massa wier hele leven wellicht minder opzienbarend dan dat van Brongersma was, maar gewoon ,,verschrikkelijk banaal''. Dan is de overgang naar de finale aftakeling misschien minder groot – hebben die mensen hun lijden dan dus maar te dragen?

    • Margriet Oostveen