Begrotingsdiscussie moet ook over de economie gaan

Geld, geld, geld willen de ministers en zij maken dat tijdens het begrotingsoverleg ook duidelijk. Zij denken kennelijk dat het met de economie wel snor zit. Maar schijn bedriegt, de concurrentiepositie van Nederland verslechtert en de vennootschapsbelasting is nog steeds te hoog, menen Hans de Boer en Jacques Schraven.

Het kabinet is bezig met de afronding van de hoofdlijnen voor de begroting 2002. Dat gebeurt te midden van een internationale kentering in de economie waarin de kettingreactie groeivertraging – winstwaarschuwing – ontslagen/reorganisaties sneller blijkt te gaan dan velen verwachtten. De kentering doet zich vooral voor in de nieuwe economie, die toch niet zo nieuw blijkt te zijn, want ook onderhevig aan de normale economische wetten. De kentering komt uit de VS. Maar ook in Europa en daarbinnen Nederland vertraagt de groei, zij het nog minder scherp.

Het is oppassen geblazen. Niettemin wentelen vakbonden zich nog in de euforie over gunstige cijfers van gisteren. Net als sommige politici. Zij claimen miljarden en gaan veelal kritiekloos voorbij aan de povere prestaties die tot op heden geleverd zijn. Ook ontbreekt een goede onderbouwing van nut en noodzaak van de volgende claims. Ondertussen zagen ze aan de Zalmnorm. Een norm die in de huidige discussies andermaal zijn betekenis bewijst, nu minister Zalm bij zijn collega's voor vele miljarden kennelijk overbodige uitgaven boven water heeft gekregen.

Het heeft er helaas alle schijn van dat in de begrotingsdiscussie, met alle energie gericht op zorg, veiligheid, onderwijs en overheidssalarissen, de aandacht voor de economie zélf erbij inschiet. Verdelen van groei staat voorop. De politiek denkt kennelijk dat het met de economie wel snor zit, en haar werk op dit punt klaar is. Maar in een economie is het werk, óók voor de politiek, nooit klaar. Dat geldt voor de begroting 2002 en voor een nieuw regeerakkoord.

De Nederlandse economie dreigt op diverse fronten aan de verkeerde kant van de streep te komen wat de concurrentiepositie van hier gevestigde ondernemingen betreft. Verslechterende loonkostenconcurrentie is er één, zo waarschuwde ook minister Vermeend recentelijk. Fiscale ondersteuning van met de bedrijfsresultaten mee-ademende beloning (in plaats van te hoge structurele loonstijgingen) kan hierbij helpen. Maar ook internationaal loopt Nederland achter wat fiscale aanpassingen voor ondernemingen betreft. Daarom moet verlaging van de vennootschapsbelasting een politiek aandachtspunt zijn. Met de instelling van de commissie-Van Rooy erkent het kabinet het probleem met betrekking tot de vennootschapsbelasting.

Verlaging van de vennootschapsbelasting is nodig om uitholling van de fiscale concurrentiepositie voor ondernemingen te voorkomen. Die concurrentiepositie was traditioneel altijd een van onze sterke punten. Door niet mee te gaan met tariefverlagingen elders (zoals kortgeleden in Duitsland), is Nederland achteropgeraakt. Verdere verslechtering dreigt, met de aankondiging van Ierland, Frankrijk en Italië om hun tarief verder te verlagen. België overweegt dit. In bijna de helft van de vijftien EU-landen is de effectieve vennootschapsbelastingdruk de laatste jaren omlaaggegaan. Op drie grote landen na kent Nederland nu de hoogste vennootschapsbelastingdruk en van de kleinere landen de hoogste.

De voorsprong ten opzichte van de grote landen is teruggelopen en de achterstand ten opzichte van kleinere landen is vergroot. Die schaarbeweging is voor een relatief kleine economie als Nederland extra nadelig. Want ondernemingen uit kleinere landen hebben fiscale schaalnadelen ten opzichte van hun concurrenten uit grote landen. Zij moeten eerder de grens over en lopen dan aan tegen verschillende fiscale stelsels. Dat levert een concurrentienadeel op, ook voor het midden- en kleinbedrijf. Dit, gevoegd bij een relatief snellere loonkostenontwikkeling, zal investeringen gaan kosten. In een mondiale economie waarin in- en uitgaande investeringen steeds belangrijker worden, zal de gevoeligheid voor nadelige verschillen toenemen.

Voorts maakt de toenemende vlucht van de kenniseconomie een verlaging van de vennootschapsbelasting nodig. In die economie wordt het beroep op eigen vermogen groter. Kenniskapitaal (patenten, kennis in de hoofden van werknemers etc.) wordt belangrijker ten opzichte van fysiek kapitaal, wat in de ogen van externe financiers risicovollere financiering zal betekenen. Geld aantrekken wordt dan moeilijker, vorming van eigen vermogen voor investeringen door een lagere vennootschapsbelastingafdracht is dan een alternatief.

Door met tariefverlaging in te spelen op de eisen van de kenniseconomie, wordt ook de zo gewenste productiviteitsgroei versterkt. Een trendmatige economische groei van 2,5 procent zal velen hebben teleurgesteld. Verlaging van de vennootschapsbelasting is een steun in de rug om die productiviteitsgroei op te krikken via meer investeringen in onderzoek en onderwikkeling en door scholing door ondernemingen.

Gezien de internationale trend is een tariefverlaging tot 30 procent noodzakelijk (huidige tarief 35 procent), plus een extra verlaging voor de kleinere ondernemingen. En natuurlijk lastenverlichting voor ondernemingen die onder de inkomstenbelasting vallen. Wat ook telt, is dat ondernemingen in deze kabinetsperiode helemaal geen lastenverlichting hebben gehad. Wel betalen ze jaarlijks 5 miljard gulden te veel aan sociale werkgeverslasten door politiek te hoog vastgestelde premies.

Er is begrotingsruimte binnen de randvoorwaarde dat in de begroting 2002 eveneens een groot begrotingsoverschot wordt vastgehouden. De volgende stap naar 30 procent kan in een nieuw regeerakkoord worden gezet. Gezien de tariefverlagingen om ons heen is daarbij snelheid geboden.

Hans de Boer is voorzitter van MKB Nederland en Jacques Schraven is voorzitter van VNO-NCW.

    • Jacques Schraven
    • Hans de Boer