Rottochopnaarjeeigenland!

Twee Marokkaanse meisjes aan de deur. In november heb ik kinderpostzegels van ze gekocht, postzegels van de een, kaarten van de ander. Het jaar daarvoor kwamen ze langs met amaryllisbollen. Een actie van de basisschool. Ik kocht er twee, die overigens niet zijn uitgekomen. En nu komen de dames voor de rommelmarkt op koninginnedag. Heb ik misschien spullen die ze mogen verkopen?

Ik ga mijn huis door, op zoek naar rommel. Ik vind het zwart met goud afgebiesde tafelkleed dat ik ooit bij een afscheid van een Turkse cursiste heb gekregen. De rood kanten slip die ze me bij dezelfde gelegenheid schonk, is in de garderobe van een dochter verdwenen. Een Chinees vaasje. De vogel van glas, kerstgeschenk van een klas, mag nog even blijven staan, hoewel ik zijn maat, de glazen dolfijn, inmiddels heb weggedaan. Die nooit gebruikte reuzenkaars van een foute kleur kan nu wel weg. De oogst is mager, maar ik kan dan ook uitstekend weggooien. Ik doe de oogst in een zak en haast me terug naar de deur.

Een bleek joch van een jaar of tien heeft zich nu bij de meisjes gevoegd. Hij hangt over zijn fiets en kijkt mij nadrukkelijk niet aan.

,,Bedankt mevrouw'', zegt het oudste meisje. Maar de jongste zegt: ,,Deze jongen zit ons de hele tijd achterna.''

,,O ja?'' vraag ik. ,,Waarom?''

,,Dat weten wij ook niet.''

Wij kijken gedrieën belangstellend naar de jongen. Die bestudeert zijn verroeste bel.

,,Zit jij deze meisjes achterna?'' vraag ik dan maar.

Hij haalt zijn schouders op.

,,Waarom?''

Hij kijkt naar de lucht.

,,Gaan jullie maar verder'', raad ik de meisjes aan. ,,En jij, ga jij lekker op je fiets naar huis'', zeg ik tegen de jongen.

,,Ja, flikker op jij'', zegt het grootste meisje kordaat. Ze is een jaar of elf.

,,Ach, vuile Marokkanen'', zegt de jongen met de fiets.

,,Oh! Hoort u dat mevrouw?'' zegt het kleinste meisje, allerminst uit het veld geslagen. ,,Vieze vuile kaaskop'', roept ze nu terug, verbazend geroutineerd.

,,Jongens, jongens'', sus ik. Maar de geest is uit de fles.

,,Vuile Marokkanen'', zegt de jongen. ,,Rottochopnaarjeeigenland.''

,,Rot jij zelf op naar je eigen land!'' zegt het kleinste meisje.

,,Gore vieze klootzak!'' zegt de oudste.

,,Ho, ho'', probeer ik. Maar niemand let op mij.

,,Mot je een klap hebben?'' zegt de jongen. ,,Komaaropjoh!''

,,Kom zelf op. Dan zullen wij je in elkaar trappen!''

Scheldend verplaatst het groepje zich naar de deur van de buren. Ik zie de meisjes daar aanbellen, de jongen leunt weer over zijn stuur. Ik sluit zachtjes de voordeur. Die hebben mij geloof ik niet nodig.

    • Elizabeth Termeer