Groenink hoeft niet opnieuw te getuigen in `diamantzaak'

Bestuursvoorzitter R. Groenink van ABN Amro hoeft niet opnieuw te getuigen in de fraudezaak rond het `diamantfiliaal' van de bank. Dat heeft de Amsterdamse rechtbank vanmorgen besloten.

De verdediging had om het opnieuw horen van Groenink gevraagd omdat zij vinden dat de ABN Amro-topman een tegenstrijdige verklaring zou hebben afgelegd over het plan van de bank om in 1997 aangifte te doen van de fraude. Volgens de raadslieden heeft ABN Amro de aangifte alleen maar gedaan na druk van de publiciteit en van justitie. Groenink zei afgelopen donderdag dat het doen van aangifte van meet af aan de bedoeling van de bank was geweest. Maar in een tv-interview, opgenomen enkele maanden nadat de fraude was uitgekomen, zei hij nog dat de raad van bestuur zich daarover zou ,,beraden''.

De rechtbank oordeelde dat er ,,geen redelijke grond'' is dat Groenink niet de waarheid heeft gesproken. Zijn uitlatingen voor de tv staan ,,niet noodzakelijkerwijs op gespannen voet met een intern standpunt, dat ten tijde van [het interview] reeds vast stond dat aangifte zou worden gedaan'', aldus het vonnis. Een ABN Amro-woordvoerder reageerde tevreden omdat ,,de rechtbank door het rookgordijn van de verdediging heeft gekeken en het nu weer om de zaak zelf gaat waarin wij slechts getuige zijn''.

De rechtbank wil geen verdere topmensen van ABN Amro horen, maar gaat de kwestie over de aangifte nog wel nader uitzoeken. Ze heeft de verdere behandeling van de zaak daartoe opgeschoven en gaat een medewerker van de afdeling veiligheidszaken van de bank als getuige oproepen. De rechtbank wil weten of de ABN Amro aan de vier verdachten heeft gezegd dat er geen aangifte zal worden gedaan en of de verdachten op die grond medewerking aan het interne onderzoek hebben verleend. De betrokken medewerker van veiligheidszaken is tot nu toe alleen gehoord met tussenkomst van de advocaten van ABN Amro. Ook willen de rechters nog uitzoeken in hoeverre de ontmanteling van de afdeling op het `diamantfiliaal' heeft geleid tot het verdwijnen van bewijsmateriaal dat ontlastend zou kunnen zijn voor de verdachten. Die moeten overigens wel aangeven om welke bescheiden het eventueel zou kunnen gaan.