Euthanasie is niet strijdig met christendom

Er zijn ook christelijke argumenten voor een vrijwillige dood, vindt Wil van den Bercken.

De theoloog Hans Schilderman keert zich vanuit een christelijke visie op het leven tegen vrijwillige levensbeëindiging door mensen die hun leven voltooid achten (Opiniepagina, 18 april). Er is echter een andere benadering mogelijk die enerzijds stoelt op een oude christelijke spiritualiteit en anderzijds op een modern christelijke postmaterialisme.

Het christendom heeft historisch niet altijd een zodanige maximalistische levensfilosofie verdedigd als nu naar voren komt in de afwijzing van elke vorm van euthanasie en zelfdoding. Het heeft de dood en levensonthechting eeuwenlang positief benaderd in een radicale spiritualiteit die de ideale uitdrukking leek van het tijdelijke aardse leven van de mens en zelfs hoger werd gewaardeerd dan de materialistische omarming van het leven. Asceten hebben bewust hun leven bekort door vasten, zelfkastijding en verwaarlozing van hun gezondheid. De radicale vormgeving aan de evangelische waarden in het klassieke monnikendom is een leven geweest dat de dood eerder nabij bracht dan zo lang mogelijk uitstelde. Het was een levenslang versterven. `Versterving' is een typisch christelijk woord en nog steeds een grotere deugd dan levensgenieting.

Versterving en stervensverlangen van heiligen waren een vorm van uitgesteld vitalisme en geen cultus van de dood, maar het gaf aan dat het aardse leven niet onder alle omstandigheden het onvoorwaardelijk rekbare doel van christenen was. Deze radicale levenshouding was altijd weggelegd voor een minderheid: de `religieuzen', contemplatieve kloosterlingen. Zij waren als christelijke keurtroepen menselijkerwijze gezien moedige mannen en vrouwen, zij beschikten over een krachtige wil en werden aan de christenen in de dagelijkse wereld als een `eschatologisch teken' ten voorbeeld gesteld.

Kan een christelijke keuze voor een bewuste dood niet ook een `teken' zijn en vergt zo'n keuze niet evenveel moed als vroegere levenslange versterving? Moed vergt het zeker en dat is niet voor iedereen weggelegd. Maar dat laatste was ook nooit een argument tegen kloosterleven. Het lijkt een perverse consequentie van de traditionele versterving maar het is een nieuwe vorm van radicalisme, een moderne vorm van versterving.

Er is een tweede argument voor christenen om de dood vrijwillig te aanvaarden, als het leven niet meer voldoet aan de normen van waardigheid zoals de persoon in kwestie die zelf ervaart. Dat is het besef dat men de Schepper niet moet overvragen door tot het uiterste te gaan met eigen levensrekking. Christenen moeten niet mateloos zijn maar dankbaar voor wat zij tijdens het leven wel gehad hebben. Het is een persoonlijke toepassing van de christelijke ecologie van `genoeg is genoeg'.

Dat zijn geen verplichtende overwegingen die christenen moeten aanvaarden. Zij laten onverlet de wel als universele plicht geldende opdracht van christenen om tot het uiterste te gaan in zorg voor anderen. Versterving is nooit opgelegd door de kerk, hoe hoog dat ideaal ook bleef. En de religieuzen die het in praktijk brachten, toonden tegelijk een onnavolgbaar altruïsme tegenover armen, zieken en behoeftigen, toen er nog geen welvaartsstaat met sociale voorzieningen was. En juist wie zichzelf wel in staat acht tot tijdig afscheid nemen van het leven heeft de morele plicht te zorgen dat het niet een impliciete plicht wordt voor wie daar niet aan wil. Anders wordt zijn zogenaamde moed hoogmoed, wordt zijn zelfonthechting beroving van andermans levensvreugde. Dan zou er inderdaad een `cultuur van de dood' ontstaan, waarvoor kerkleiders in hun oprechte bezorgdheid waarschuwen. Wat hier echter wordt bepleit is een christelijke ethiek van waardig sterven vanuit een eigen verantwoordelijkheid.

Christenen hebben de onaantastbaarheid van het leven als groot goed in de menselijke beschaving gebracht. Dat betekent dat men niet het leven van een ander mag benemen, en dat men zijn eigen leven ziet als eigendom van de Schepper. Dat laatste betekent echter niet dat men niet mag ingrijpen in de biologische natuurwetten: immers men mag zich inenten en kunstmatig zijn leven verlengen. En zo mag men ook als het natuurlijke einde toch reeds nabij is en geestelijk voor de persoon in kwestie al aangebroken is, zijn leven teruggeven aan de Schepper als men nog ten volle zijn dankbaarheid kan uitspreken.

Deze overweging geldt niet als men elk ingrijpen in het natuurlijke proces afwijst, dus ook inenting en het afsluiten van verzekeringen en geboorteregeling. Wie zo radicaal denkt — een heel andere vorm van radicaliteit — is in ieder geval consequent als hij actieve levensbeëindiging afwijst. Dit christelijk defaitisme heeft zijn basis in `de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen'-theologie. Maar de christen die zijn lot — gedeeltelijk — in eigen hand neemt, gaat niet op de stoel van God zitten. Hij kan de religieuze betekenis onderschrijven van de niet religieus bedoelde woorden van minister Borst: ,,Het is volbracht'' en daarbij ook de andere kruiswoorden van Christus nazeggen: ,,In Uw handen beveel ik mijn geest''. Dit is geen cynische theologie maar de paradox van het christendom. Zowel de absolute beschermwaardigheid van andermans leven als de dankbare zelfaanvaarding van de dood na een als voltooid ervaren eigen leven zijn christelijke waarden. Cynisch zou het pas zijn als de mens zich zijn leven beneemt om voor anderen te bewijzen dat er geen god is.

Wil van den Bercken is verbonden aan het Interuniversitair Instituut voor Oecumenica te Utrecht en bijzonder hoogleraar Oosters Christendom aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.