De romantiek van een zeeleeuw in Artis

Dierentuin Artis heeft het moeilijk. Vorige week liet de laatste tijger van Artis, de 16-jarige Raspoetin, het leven. Morgen zou premier Kok de nieuwe Afrika-savanne voor de gnoe's, zebra's en waterbokken openen. Die opening is afgelast omdat Artis feestelijkheden ongepast vindt nu de mond- en klauwzeerepidemie zoveel slachtoffers maakt onder het vee. Artis heeft allerlei maatregelen genomen om het virus te weren. Toch is het aantal bezoekers sterk gedaald. Mijden mensen de dierentuin uit angst het virus te verspreiden? Of omdat hun plezier in het kijken naar dieren al bij voorbaat vergald is door de tv-beelden van dode koeien, varkens en schapen?

In Artis herinneren hekken en waarschuwingen overal aan het MKZ-gevaar. Op de tentoonstelling Kunstenaars in Artis in het Haarlemse Teylersmuseum is het virus ver weg – zieke dieren zijn geen geliefd onderwerp in de beeldende kunst. Maar dat wil niet zeggen dat de bezoeker hier niet met dierenleed wordt geconfronteerd. Zo hangt er een aantal tekeningen uit 1865 van het baby-nijlpaardje Herman door F.W. Zürcher en Heinrich Leutemann. Ze tonen hoe de kleine Herman vrolijk spartelt in zijn bassin en hoe hij door een verzorger liefdevol met de hand wordt gevoerd. Toen Herman een jaar na zijn geboorte aan de VS werd verkocht, kwam hij om het leven bij een brand in het Londense Crystal Palace, waar hij tijdens zijn reis te bezichtigen was. Die informatie staat in een bijschrift.

Soms is het dierenleed ook aan de kunstwerken zelf af te lezen. Willem Vaarzon Morel legde in een tekening vast hoe een poema in Artis met een paraplu in zijn nek wordt geprikt. Het porren met plu's was in de 19-de eeuw kennelijk een veel voorkomende pesterij gezien het feit dat de bezoekers hun paraplu moesten afgeven. En dan is er nog de olifant Jack, jarenlang de lieveling van het Artispubliek, die in 1848 werd afgeschoten omdat hij uit zijn stal was gegroeid. Op een aquarel van Conradijn Cunaeus uit 1849 ligt Jack morsdood, met bebloede slagtanden in een kale, troosteloze vlakte.

Gelukkig voert dit soort ellende niet de boventoon in het Teylers Museum. De expositie geeft een overzicht van ruim honderd tekeningen, beelden en schilderijen die door Artis zijn geïnspireerd en daarop staan de beesten er meestal onbekommerd bij. Sinds de oprichting van de diergaarde in 1838, hebben veel kunstenaars in Artis `naar de natuur' gewerkt. In het midden van de 19-de eeuw waren romantische voorstellingen van wilde dieren erg populair in Frankrijk en Duitsland. In Nederland bestonden wel honden-, poezen- en paardenschilders, er werden jachttaferelen gemaakt en weidelandschappen met vee, maar schilders die zich gespecialiseerd hadden in de uitbeelding van uitheemse diersoorten bleven hier tot het eind van de 19-de eeuw een uitzondering. Aanvankelijk waren het dan ook vooral buitenlanders die in Artis kwamen tekenen. Later gingen ook Hollandse schilders van huisdieren, zoals Henriëtte Ronner-Knip, af en toe naar Artis, maar pas tegen de eeuwwisseling zou Artis een geliefd werkterrein worden van tientallen kunstenaars.

Het zwaartepunt van de expositie ligt dan ook bij de periode rond 1900, toen een vaste groep beeldende kunstenaars regelmatig in Artis te vinden was. Uit die tijd dateren onder meer de kleine diersculpturen van beeldhouwers als Joseph Mendes da Costa, Jaap Kaas en Lambertus Zijl, de poëtische aquarellen van vissen in aquaria door G.W. Dijsselhof, de bekende kalenderbladen van Theo van Hoytema en de tekeningen en houtsneden van Samuel Jessurun de Mesquita. Over een zebra schreef Jessurun de Mesquita dat die `net een levende houtsnede' was, `en je moet je ervan weerhouden om daar nogeens een houtsnede van te maken.' Maar hij kon de verleiding toch niet weerstaan.

In het sterk gestileerde werk van deze kunstenaars is vrijwel nooit sprake van een `vermenselijking' van de dieren, van een vrolijke of weemoedige gelaatsuitdrukking, een mimiek die meer bij mensen dan bij dieren hoort. Bij de meer realistische weergaves van dieren is vaak wel zo'n uitdrukking in de snuit gelegd. In bijvoorbeeld de studies van pelikanen door Hein van Essen, een van de vroege Artiskunstenaars, zijn die vogels wel erg blij en levenslustig getekend.

Afgaand op de tentoonstelling hebben de apen, krokodillen, leeuwen, tijgers en flamingo's altijd het meest tot de verbeelding gesproken. De vogelschilder Sam van Beek maakte een bijna expressionistisch schilderij van de flamingo's in Artis waarop hij de oranje-witte vogels fel laat contrasteren met het in dikke verfstreken weergegeven donkere gebladerte op de achtergrond. Van Piet Mondriaan is er de kortgeleden ontdekte pasteltekening van drie flamingo's die hij met hun spillepoten en sierlijke kronkelhalsen in een onaards decor van wazige, blauw-groene kleurvlekjes plaatste.

Tot de mooiste werken op de expositie horen de krokodillen van Joseph Teixeira de Mattos en Erik Andriesse. Teixeira de Mattos aquarelleerde de Mississippi Aligator in 1919 op klein formaat, in ingehouden kleuren. Van Erik Andriesse is er, op veel groter formaat en in een vrijere weergave, een tekening uit 1992 van het wreedaardig loerende reptiel. De twee werken laten goed zien hoe de beeldende kunst in de loop van de 20-ste eeuw van gedaante veranderde.

Kunstenaars in de dierentuin. Tekeningen, schilderijen en sculpturen van beesten in Artis. Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. T/m 8 juli, di-za 10-17uur, zo 12-17 uur.

    • Lien Heyting