Terrorismebestrijding door VS is kwestieus

De VS sparen kosten noch moeite om het terrorisme het hoofd te bieden. Ook de bondgenoten worden voor de Amerikaanse aanpak – werken met `vuile' informanten, snel telefoons kunnen aftappen – gewonnen. Maar aan die methode kleven de nodige bezwaren, meent Marianne van Leeuwen.

Terrorisme is in de Verenigde Staten een gitzwart ingekleurde dreiging. De gruwelijke aanslagen op het World Trade Center in New York (1993), in Tokio en Oklahoma City (1995), en in Nairobi en Dar-es-Salaam (1998) hebben hun uitwerking niet gemist. Kosten noch moeite worden nu gespaard om het monster van het terrorisme het hoofd te bieden en de bondgenoten in Europa voor de Amerikaanse aanpak te winnen. Maar het is de vraag of we er verstandig aan doen Amerikaans leiderschap bij terreurbestrijding te omarmen.

De Verenigde Staten zien een dominante nieuwe trend in terrorisme, met moorddadigheid en ongrijpbaarheid als kernelementen. De nieuwe Amerikaanse dreigingsanalyse komt in het kort hierop neer: vroeger doseerden terroristen hun geweld zorgvuldig. Ze eisten hun aanslagen op en poogden er een onderhandelingsproces aan te koppelen waarin ze politieke eisen stelden. Terroristen `nieuwe stijl', daarentegen, willen om troebele, religieuze of `ideologische' redenen zoveel mogelijk slachtoffers maken. De doelwitselectie is willekeurig, de aanslagen worden niet opgeëist en met de overheid wordt niet onderhandeld. Vroeger werkte een terrorist in een hiërarchisch opgezette organisatie die voor veiligheidsdiensten penetrabel was.

Nu opereren ze in losse, wereldwijde netwerken van geestverwanten. Ze duiken even vlot weer onder als ze zijn opgedoken. Deze nieuwe trend, veelzeggend aangeduid als catastrofaal terrorisme, is des te bedreigender omdat het, aldus nog steeds de analyse, veel gemakkelijker is geworden niet conventionele – chemische, biologische of nucleaire – wapens te verwerven. Zo is een perspectief ontstaan van onvermijdelijke terreuraanslagen met niet-conventionele wapens waarbij massaal slachtoffers vallen – de meesten Amerikanen.

Deze visie is weinig genuanceerd en erg somber. Natuurlijk zijn de Verenigde Staten erg geëxponeerd. Maar toch. Mondiaal bezien is het aantal catastrofale aanslagen tot nu toe heel laag gebleven en er is geen stijging in vast te stellen. De meeste terreurdaden worden nog steeds om traditionele redenen gepleegd en geclaimd. De doelwit selectie blijft verklaarbaar. Het aantal slachtoffers blijft dikwijls laag. De wapenkeuze blijft overwegend traditioneel. Dat laatste geldt ook voor catastrofale aanslagen, met uitzondering van die op de Tokiose metro in 1995. Daar werd gifgas ingezet. Deskundigen bestrijden dat niet-conventionele strijdmiddelen makkelijk zelf te vervaardigen zijn. Nog moeilijker is het ze effectief te gebruiken, zeker als er massaal dodelijk effect wordt nagejaagd.

De aanslag in de Japanse hoofdstad, hoe opzienbarend en angstaanjagend ook, eiste twaalf doden, een fractie van wat door de daders was beoogd. Ook bij de bedoelde catastrofale aanslagen selecteerden de daders hun doelwitten gericht. Opvallend, en strijdig met de Amerikaanse theorie, was daarnaast de grijpbaarheid van de aanslagplegers post facto. Ze zitten vrijwel allemaal achter de tralies. Die van Nairobi en Dar es Salaam staan deze maand in New York terecht. Timothy McVeigh, die het federale kantoor in Oklahoma City opblies, wordt 16 mei in de gevangenis van gerechtswege doodgespoten.

Sinds 1995 hebben in Washington president en Congres het antiterreurbeleid aangepast langs drie hoofdsporen: rampenbestrijding, preventie en strafvervolging. De nadruk werd voorshands op rampenbestrijding gelegd omdat de achterstand er het grootst geacht werd. Maar het pessimisme over onvermijdelijkheid van aanslagen en ongrijpbaarheid van daders was nog niet zo groot of er werd ook gewerkt aan het versterken van preventieve capaciteit – al met al de meest doeltreffende vorm van terreurbestrijding, en de verbetering van opsporing na aanslagen.

Op zoek naar nieuwe wegen benoemde het Congres in 1998 een Nationale Commissie over Terrorisme. Die kwam vorige zomer met haar rapport. Kern van de aanbevelingen was dat juridische en technische hindernissen voor het `agressief' inzamelen van informatie over terroristen moeten worden gesloopt. De diensten moeten minder terughoudend zijn bij het initiëren van onderzoek. Ze moeten zo nodig met `vuile' informanten werken en als dat fout loopt rugdekking krijgen. Ze moeten vlot en ruim toestemming krijgen voor het aftappen van elektronische communicatie, per telefoon of computer, van verdachten. Ze moeten daartoe geavanceerde hulpmiddelen ter beschikking krijgen. Ze moeten ook hun netten wijd uitwerpen bij het traceren van potentiële terroristen. Zo beval de Commissie aan dat alle buitenlandse studenten in de Verenigde Staten onder discrete controle gesteld moeten worden.

Deze aanbevelingen zijn op principiële en praktische gronden aanvechtbaar. De principiële bezwaren liggen in Nederland voor de hand, zeker na de rapportage van de commissie-Van Traa over valkuilen bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. De aangeduide beleidsaanpassingen kunnen makkelijk indruisen tegen burger- en mensenrechten. Ambtenaren worden vrijwel uitgenodigd hun integriteit te grabbel te gooien en, bot gezegd, Big Brother ligt op de loer. Bovendien: deze aanpak is contraproductief. Door de kwantiteit van gegevens nagenoeg ongericht steeds verder op te schroeven (een onontkoombaar gevolg als hele sectoren van de samenleving gevolgd gaan worden) zal de kwaliteit van de eruit te distilleren inlichtingen alleen maar achteruitgaan. De directeur van de National Security Agency (waar het spionageprogramma Echelon onder valt) verzuchtte onlangs met een mengeling van trots en zorg dat bij de aanstaande vernieuwing van zijn satellieten zijn medewerkers door een zondvloed van data zullen worden verzwolgen.

Wie terroristen wil vangen vóór ze kwaad kunnen, moet niet de kwantiteit maar de kwaliteit van inlichtingen vooropstellen. Speurwerk op grond van een scherp gesneden dadersprofiel waarbij niet alleen naar technisch vermogen, maar vooral ook naar motivatie en drijfveren wordt gekeken, kan onnodige en principieel verwerpelijke informatieverwerving voorkomen. Aan aandacht voor drijfveren lijkt het soms bij de Amerikaanse diensten te schorten. Anders hadden ze allicht bepaalde catastrofale aanslagen (New York, 1993; Tokio 1995) kunnen zien aankomen. Natuurlijk moeten veiligheidsdiensten technisch goed uitgerust worden, maar voor de interpretatie van gegevens hebben ze naast technische deskundigheid vooral ook linguïsten, godsdienstdeskundigen, psychologen, misschien zelfs historici nodig.

Internationale samenwerking tegen terrorisme is geboden en kan stellig verbeterd worden. Maar zulk Amerikaans leiderschap – nou, nee.

Marianne van Leeuwen is verbonden aan de onderzoeksafdeling van het Instituut Clingendael. Op 25 april heeft in de Beurs van Berlage in Amsterdam een bijeenkomst over internationaal terrorisme plaats.

    • Marianne van Leeuwen