Prietpraat als ideologie

Eens was Johan Cruijff een voetballer die wedstrijden regisseerde alsof hij alleen wist hoe gevoetbald moest worden. Godvergeten eigenwijs dicteerde hij zowel zijn medespelers als zijn coach hoe er gespeeld moest worden. Zelfs de scheidsrechter en — nog erger — de tegenstander liet hij weten hoe ze zich moesten gedragen opdat zijn ploeg met de zege kon gaan strijken. Cruijff was de eerste in een rij van brutale mannen uit het nietige Nederland die meende de grote wereld te kunnen vertellen hoe het moest.

Wat andere Nederlandse wereldverbeteraars misten, had Cruijff al voordat hij op 17-jarige leeftijd debuteerde in het eerste van Ajax. Hij had overtuigingskracht. Hij beheerste de materie waarover hij sprak en waarvan hij geobsedeerd was als geen ander. Wie hem probeerde tegen te spreken, werd snel overweldigd door zijn radde tong. Wie hem als voetballer probeerde te stuiten, werd snel overmand door verlegenheid — zo behendig, zo vlug, zo doortastend en zo geniaal was hij zodra hij de bal aan zijn voeten had. Het was geen bluf van Cruijff, het was zijn enige (onschuldige) manier om iedereen ervan te overtuigen dat hij de mensheid doorgrondde.

Cruijff trok het spel van de wereld naar zich toe. Niet alleen zwaaiend met zijn armen en pratend met zijn mond. Zijn aanwezigheid had een magnetische werking op de spelers rondom hem en op de wedstrijd. Hij is niet de beste voetballer aller tijden geweest — Pelé had ondanks of juist door zijn bescheidenheid meer charisma en Maradona kon op basis van zijn dribbelkunst alle goden verslaan — maar alles wat Cruijff zei en deed getuigde van uitzonderlijk talent. Een mensenkind dat zelden wordt geboren.

Omdat hij alles wist en veel kon — en bijna niemand daaraan durfde te twijfelen — werd hij een redelijk succesvolle coach. Omdat hij alles wist en veel kon — en bijna niemand daaraan durfde te twijfelen — werd hij een populaire analist. Velen raken nog steeds bedwelmd wanneer zij Cruijff zien. En veel voetballiefhebbers worden nog steeds gehersenspoeld wanneer ze Cruijff horen praten over het voetbalspel van nu, dat sinds de jaren zeventig en tachtig allang niet meer het zijne is. Het voetbalvolk heeft nu eenmaal behoefte aan opinieleiders.

Het is uiteraard een verademing Cruijff (woensdag wordt hij 54 jaar) te horen praten. Omdat al zijn klonen in de voetbalgemeenschap, de pathologisch paranoïde bondscoach Van Gaal voorop, zich te buiten gaan aan herkenbaar maar bedenkelijk gedrag. Cruijff is cult, omdat hij de enige Nederlandse voetballer is die de wereld een lesje heeft willen leren — en daar bijna in is geslaagd. Cruijff is cult, omdat hij de enige is die een eigen mening heeft. Cruijff is cult, omdat hij spreekt als een dyslectisch mens dat niet begrijpt dat er verschil is tussen wij, ons, hen, zij en hun, tussen asociaal en zwak-sociaal. Alles wat Cruijff heeft en niet heeft is cult.

Cruijff heeft altijd in zichzelf geloofd. Zoals hij zijn persoon en zijn talenten heeft uitgedragen, zou politici en bedrijfsleiders tot inspiratie kunnen zijn. Commerciële geesten liggen echter op de loer om van Cruijff een handelsobject te maken. Er zijn zelfs mensen die willen dat Cruijff door middel van een zogenoemde `masterclass' talentvolle voetballers bijstaat in hun ontwikkeling. Cruijff vindt het wel een goed idee. Zolang zijn naam en zijn ideeën worden uitgedragen, blijft hij ervan overtuigd dat hij een wereldverbeteraar is. Zou hij begrijpen dat de voetbalgemeenschap die aan zijn voeten ligt, nog altijd door hem is bedwelmd en niet wil horen dat hij voortdurend als goeroe wordt gebruikt om prietpraat als ideologie te verspreiden? Vast wel. Cruijff weet immers altijd wat hij doet.