Ondermaats onderwijs

HET JAARLIJKSE rapport van de Onderwijsinspectie is belangrijker dan alle wetsvoorstellen en discussienota's bij elkaar. In het Onderwijsverslag maakt de inspectie namelijk niet de intenties maar de stand van zaken op. De conclusies in het verslag over 2000 zijn niet om over naar huis te schrijven. Over het algemeen voldoet het onderwijs weliswaar aan de gestelde normen – anders dan taalvaardigheid blijft vooral rekenen boven internationaal peil – maar het gaat niet goed genoeg. Sterker, de trends zijn zorgwekkend.

De redenen daarvoor zijn structureel. Vooral het tekort aan leerkrachten begint zich te wreken. Maar liefst een op de vijf basisscholen kampt met vacatures. In het voortgezet onderwijs valt 6 procent van de lessen wegens lerarengebrek uit. In de grote steden, waar de `moeilijke' scholen zich bevinden, cumuleren deze problemen. De andere bedreigingen voor het onderwijs vloeien hieruit voort. De onderwijzers en leraren hebben minder tijd zich bij te scholen. De broodnodige kwaliteitsverbetering van het onderwijs is daarvan uiteindelijk de dupe. Kortom, de krapte op de arbeidsmarkt leidt in het onderwijs tot vicieuze cirkels.

Dat is belangrijk, met name omdat de onderwijsprestaties van de zogeheten `allochtone' leerlingen achterblijven. Als ze eenmaal tot het vwo zijn doorgedrongen, onderscheiden ze zich tot aan het landelijk eindexamen (nog steeds een valbijl) minder dan voorheen van autochtone kinderen. Maar de selectie heeft eerder plaats. Vandaar dat de kwaliteit van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) cruciaal is. De publieke aandacht voor het vmbo laat wel eens te wensen over. Dat is onterecht. Meer dan 60 procent van de kinderen gaat na de lagere school naar dit type onderwijs. Bovendien illustreert het tekort aan ambachtslieden dat Nederland het zich niet kan veroorloven het vmbo als een sluitpost te behandelen. Een industriële diensteneconomie staat of valt bij praktisch vakmanschap.

DE INSPECTIE is niet optimistisch gestemd over het vmbo. De niveauverschillen van de vmbo-scholen, die veelal zijn ondergebracht in organisatorische mammoetorganisaties (Regionale Opleidingscentra), zijn enorm. Een kwart van deze scholen stemt positief. Maar eenzelfde percentage blijft (ver) onder de maat. Het ziet er niet naar uit dat hieraan snel een einde komt. Driekwart van de scholen houdt zich niet of nauwelijks bezig met kwaliteitszorg. Volgens de inspectie noopt dit tot extra investeringen vanwege de rijksoverheid.

De tijd van centrale sturing uit Den Haag is voorbij. Die vorm van regie heeft al te veel schade aangericht. Maar ,,stimuleren', zoals de inspectie het noemt, kan ook anders. Fatsoenlijke salarissen voor leerkrachten zijn belangrijk. Geld voor gebouwen, middelen en scholing zijn nog belangrijker. Dat soort investeringen heeft echter alleen zin als ze niet halverwege in de bureaucratie blijven hangen. Het ontstoppen van deze kanalen is de grootste opdracht voor de bewindslieden op Onderwijs in hun laatste jaar.

Gerectificeerd

Ondermaats

In het hoofdartikel Ondermaats onderwijs (in de krant van maandag 23 april, pagina 7) staat dat vmbo-scholen ,,veelal zijn ondergebracht in organisatorische mammoetorganisaties (Regionale Opleidingscentra)'. Dit is onjuist. Vmbo-scholen maken deel uit van het voortgezet onderwijs en zijn ondergebracht in scholengemeenschappen voor het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo).