Heup gebroken, Amsterdam 2001

Dinsdagavond 11 uur. Mijn 83-jarige vriendin Thea valt. Zij weet het alarm te bereiken, maar de verzorgsters van het Menno Simonshuis waarbij haar `aanleunwoning' hoort, laten na te kijken wat er is. Ze helpen haar in bed waar ze helse pijn lijdt tot ze om half vijf nogmaals het alarm indrukt. Nu laat men haar lopen naar de wc. Haar gekerm ontlokt de opmerking dat ze zich niet moet aanstellen: `Een beetje flinker, mevrouw'. De verpleeghulp heeft rugpijn en gaat, kondigt ze aan, de volgende dag `de ziektewet in'.

Woensdagochtend half acht: Thea ziet kans door met haar stok op de vloer te bonzen de benedenbuurvrouw te wekken. Daarvoor moet ze wel op de rand van haar bed gaan zitten – pijn.

Twaalf uur: de ambulance arriveert die haar naar de Eerste-Hulppost van het VU-ziekenhuis vervoert. De foto's tonen een gebroken heup. Operatie is vereist, eten en drinken zijn in verband met de narcose verboden. Maar de VU heeft geen bed vrij. De vorige `gebroken heup' is zojuist ondergebracht in Almelo.

Niet eten is niet erg, niet drinken wel. De dorst herinnert Thea aan de drie dagen en nachten durende tocht in september 1944 toen ze, opeengepakt staande in overvolle veewagens, van kamp Vught werd overgebracht naar Ravensbrück. Ze heeft koorts. Haar lippen zijn gebarsten. Een verpleegster wijst me de washandjes. Een nat lapje op haar gloeiende wangen doet haar goed. Af en toe informeer ik of de zusters aan de balie al iets weten. Niks, de eerste pogingen een bed te vinden (Zutphen, Utrecht) zijn mislukt.

Twee uur: een infuus om uitdroging tegen te gaan, en een morfineprik. In het gave been; desondanks gilt ze het uit. Aangezien een heup nu eenmaal niet te spalken valt, doet zelfs de kleinste beweging verschrikkelijk pijn. Behalve onderbroeken en nachtponnen is bij het vertrek op dringend verzoek van de patiënte haar euthanasieverklaring in de tas gestopt. Daaraan worden wij nu continu en nadrukkelijk herinnerd: ,,Ik wil dood; laat mij dit niet hoeven meemaken.''

Drie uur: om de pijn te verzachten tillen vier verplegers haar van het ambulancebed op een echt bed. Opnieuw vreselijke pijn. Het vooruitzicht dat ze straks weer teruggedragen moet worden, doet wederom verwijzen naar de euthanasieverklaring. Ik bied de balie aan zelf een lijstje ziekenhuizen af te bellen, maar dat heeft geen zin, zeggen de zusters.

Vier uur: de avondploeg. Het kan wel elf uur worden voor we een plekje voor u hebben, zegt de verse zuster die net als haar voorgangsters weinig anders te bieden heeft dan hartelijkheid. Door haar leeftijd en traag herstel is onze patiënte, begrijp ik, een onaantrekkelijke casus om uitbesteed te krijgen. Men hoopt nu op Winterswijk.

Om vijf uur geschiedt het wonder. Ik bel ten einde raad een mij vaag bekende orthopedisch chirurg. Als hij een paar zinnen van haar geschiedenis heeft gehoord, trekt hij zich haar lot aan: er is geen plek maar ze mag blijven. De verpleegkundige straalt; ik neig tot een dansje. In de uitgebluste ogen keren hoop, leven en strijdlust terug.

De dokter hoort haar drukke verhalen over een blinde-darmoperatie in KZ Herzogenbusch, `met de Duitsers boven het bed hangend', geruststellend-belangstellend aan. Terwijl we haar bed naar de afdeling rijden, zegt de arts-assistent: ik moet u erop voorbereiden dat u misschien wel op de gang moet blijven staan. Geeft niet. Alles is goed. Beter hier op de gang dan moederziel alleen in Almelo. Bij een eerdere ingreep, een jaar of tien geleden, hield men in dit ziekenhuis op alle mogelijke manieren rekening met haar kampverleden. Geduld; veiligheid; geen volle zaal; en veel wassen, `want erger dan de honger waren het vuil en de luizen'. Dat het ook een Duits ziekenhuis had kunnen worden, zoals de huisarts me de volgende dag onthult, hebben we allebei niet beseft.

Woensdagavond zeven uur, bijna een etmaal na de val: Thea ligt op een kamertje op de afdeling orthopedie. Men wil haar, mits de cardioloog haar goedkeurt, vannacht nog opereren. Een riskante ingreep gezien haar conditie, maar noodzakelijk. `Vitale indicatie'. Telefoonnummers voor noodgevallen worden genoteerd. Als ik om acht uur vertrek, denken we dat het wachten er nu op zit.

Donderdagochtend: is het goed gegaan? Helaas, ze is niet geopereerd. Patiënten in levensgevaar moesten eerst. Logisch. Maar vandaag staat ze op het programma. Opnieuw dorstregime dus. Een attente bezoeker brengt cacaoboter mee.

Donderdagmiddag: de cardioloog verbiedt de operatie. Te zwak. Effect van de voorafgaande dagen? Je zag haar achteruit gaan. Maar geen operatie betekent: wel thee en wat eten!

Vrijdag: weer nuchter blijven, want vandaag wordt ze zeker geopereerd. Als er althans een intensive-carebed beschikbaar is; haar hartklep functioneert slecht.

Zaterdagochtend: geen drinken, want ze staat op de lijst voor vanmiddag na twaalven. 's Middags: weer niks. Er was een kind met hersenletsel binnengebracht – acuut levensgevaar. Als ik 'savonds een stukje wandel, komt de dierenambulance aangereden. De chauffeur vangt een eend die zielig in een rietbosje zit: ,,Die komt er weer helemaal bovenop'', zegt hij monter, ,,gebroken poot. Hebben we over een kwartiertje gespalkt''.

Zondagmiddag vijf uur: de chirurg heeft geen dienst maar komt speciaal terug om haar te opereren. Een `verkeersongeval' dat binnenkomt als ze de OK wordt ingereden, krijgt geen voorrang. En alles gaat goed. Als de chirurg het goede nieuws doorbelt maakt hij meteen excuses voor al het wachten.

,,Wachten'', zegt ze als ze bijkomt, ,,in Ravensbrück was het ook altijd: wachten.'' Maar wat geeft het: ,,Ik had toch allang dood horen te zijn. Alle tijd na 1945 was toegift.''

Lentetijd, oorlogstijd. Op 23 april 1945 werden enige honderden vrouwen, onder wie Thea, door het Zweedse Rode Kruis weggesleept uit de hel.

Gisteren werd de bevrijding van het kamp voor het eerst herdacht zonder Thea. Zij overleed tien dagen na de operatie.

    • Jolande Withuis