De woorden van een ander

Het gebeurt wel eens, dat je de stem hoort van iemand die er niet meer is. Soms in je hoofd, dan klinken er woorden of trilt er een klank, soms op een bandje of een filmpje, soms doordat een familielid ineens over dezelfde stem blijkt te beschikken. Het brengt de afwezige erg dichtbij. De stem lijkt soms wel de hele mens. Zoals het ook heerlijk kan zijn om na lange tijd iemands stem te horen, alsof hij of zij plotseling weer duidelijk maakt nog in leven te zijn, zelfs al wist je dat wel. Brieven hebben dat niet op die manier. Je leert er iemands denken uit kennen, veel intiemer vaak dan uit gesproken woorden, maar ze zijn minder levend. Of ánders levend, minder `in leven'.

Het is misschien daarom dat ik soms wel de stem zou willen horen van mensen die ik überhaupt nooit heb gekend, om te horen dat ze echt hebben geleefd, om een andere intimiteit dan het geschreven woord te hebben. Want dan gaat het eigenlijk altijd om schrijvers. Wat zou ik niet graag de stem van Louis Couperus willen horen. Geaffecteerd, Haags, dat wordt gezegd, maar dat zegt nog niets. En wat zou het niet een belevenis zijn om Martinus Nijhoff zelf zijn `Lied der dwaze bijen' te horen voorlezen. Gelukkig zijn er wel opnames van S. Vestdijk die met een nu wat ouderwets aandoend pathos zijn gedichten leest – en ons daarmee laat horen dat enig pathos bij het lezen van gedichten eigenlijk helemaal geen kwaad kan. Je hoort ook het wat weerbarstige in zijn stem, iets dat zowel geen onzin wil als lyriek.

Van bewonderde dichters hoor ik graag de stem. Laatst kreeg ik de stem van Jorge Luis Borges cadeau, vier ceedeetjes waarop hij niet zijn poëzie, maar lezingen over poëzie voordraagt. Meesterlijke lezingen, waarin hij allerhande gedachten ontvouwt. Uit zijn hoofd, want hij was blind en kon dus geen andere dan mentale aantekeningen maken. Het lijkt net of je dat ook hoort, of je hoort hoe zijn woorden één voor één in zijn bewustzijn verschijnen, alsof hij ze van de binnenkant van zijn oogleden af leest. Onbegrijpelijk wat er allemaal in dat hoofd zat. Het is wonderlijk ontroerend om het te horen.

Maar waarom het gewild? Biografieën lees ik niet zo erg graag, ik interesseer me over het algemeen maar nauwelijks voor wat een biograaf gemaakt heeft van `de mens achter de schrijver' al geven sommige biografieën wel een interessante achtergrond aan het werk. Liever lees ik de taal van de dichter of schrijver zelf. En de stem, tja, die laat vooral weten: deze persoon heeft echt geleefd. En in mijn leven, leven zijn woorden.

Afgelopen vrijdag sprak Hans Goedkoop in deze krant, in een pleidooi voor het integreren van literatuur in het leven, zich uit tegen het citeren. Allemaal snobisme vond hij. Wat nut de woorden van een ander te gebruiken als je zelf zo ongeveer hetzelfde zegt? De citaten `formuleren slechts hetzelfde anders' schrijft hij, en omdat je een citaat soms toe moet lichten word je ook niet korter van stof.

`Hetzelfde anders', dat is zo ongeveer de kern van de literatuur en van de poëzie. Als iets anders gezegd wordt, dan ìs het ook anders. Een citaat van iemand die iets goed onder woorden heeft gebracht, maakt degene die citeert vaak korter van stof, want meer doelgericht: in het citaat staat het precies zoals je zou willen dat het waar was. Anders gezegd, is het minder waar. Met poëzie kun je trouwens vaak niets anders doen dan citeren er is zo weinig buiten de woorden zelf. Wie zegt: Nijhoff heeft een gedicht geschreven over een nieuwe brug, en dat hij daar naar ging kijken, en toen hoorde hij een vrouw zingen die aan dek was van het schip dat net kwam aangevaren en die vrouw deed hem aan zijn moeder denken die heeft niets gezegd. Eén klein citaatje (`O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer') zegt al veel meer. Dan klinkt even een stem, die betekenis geeft aan een gewone gebeurtenis. Zomaar een schip op de rivier op zomaar een middag, met zo maar een vrouw aan boord. Maar het betekent àlles. Anders dan Goedkoop hoef ik daar niet van te leren `hoe het bestaan (...) er voor jou uitziet, (...) hoe dat anders kan en beter'.

Literatuur maakt dat de dingen ertoe doen, dat de wereld betekenisvol wordt gemaakt, door woorden. En zelfs dat is misschien al te veel gezegd, want schoonheid en betekenis, dat is wellicht niet hetzelfde. En betekenis is ook niet hetzelfde als waarheid. En soms is het onduidelijk wat iets betekent, maar geeft het weer wel een enorme sensatie van `waarheid'. Gisteren zag ik een glimp van een schilderij, een paar gebakken eieren in een pan en ik dacht: Paula Modersohn Becker en zo was het. Ik las een paar zinnen in een boek dat openviel en dacht: dit moeten zinnen zijn van Alfred Kossmann en dat was ook zo. Stijl, persoonlijkheid, in een paar verfstreken of een paar woorden, ik zou niet weten wat dat betekent of wat men daarvan opsteekt, maar het geeft diepte, kleur, `zin' aan het leven, die op geen andere manier uit te drukken is.

Jorge Luis Borges is één van de schrijvers die, vooral als dichter, zo'n soort betekenis aan het bestaan geeft. Aan mijn bestaan. Ik denk vaak aan zijn woorden, (`Er is wellicht geen ding dat niet een wolk is./ (...) Wolk is ook de Odyssee,/ die telkens bij het openslaan verandert/ zoals de zee') ik weet niet of ik daar iets aan heb, ik ben dankbaar dat hij ze geschreven heeft en ik zal een kans om ze te citeren zeker niet laten ontglippen, want zelf zou ik het nooit zo hebben kunnen zeggen, soms niet eens zo hebben kunnen voelen of denken of weten.

Daarom was het zo bijzonder om zijn stem te horen. Hij heeft geschreven en hij heeft geleefd. Goddank.

    • Marjoleine de Vos