Creon valt opera èn Griekse tragedie aan

Een `tia', een kleine aankondiging van een beroerte, trof zaterdagavond de Amerikaanse tenor Julius Best, de vertolker van de rol van Oedipus in Creon, de postume opera van componist Huub Kerstens die in première ging in de nieuwe schouwburg van Hengelo. Halverwege de eerste acte, in de scène met de verschijning van de ziener Teiresias, miste Best delen van zijn tekst en verdween van het podium, waarop de voorstelling tot stilstand kwam. Intendant Guus Mostart van de Nationale Reisopera betrad het toneel, sprak over een `black out' van Best en vroeg of er een dokter in de zaal was. Die was er en het publiek vertrok voor drie kwartier naar de foyers.

Terug in de zaal vertelde Mostart het publiek over de toestand van Julius Best, die gisteravond bij de tweede voorstelling in Hengelo weer gewoon optrad. Zaterdagavond kon de voorstelling worden voortgezet door koordirigent Nicolas Mansfield de Oedipusrol van Best te laten zingen vanuit de orkestbak, terwijl de rol werd geacteerd door Peter te Nuyl, de regisseur èn de librettist van Creon. Te Nuyl kon zo ook nog zelf een enkele gesproken zin aan zijn eigen voorstelling bijdragen en mimede soms de Engelse tekst mee. Omdat Oedipus in de tweede en laatste acte niet meer optreedt, werd de voorstelling na de reguliere pauze normaal en met publiek succes afgewerkt.

De twee jaar geleden plotseling overleden Huub Kerstens zou dit verloop van wereldpremière van zijn opera Creon bijzonder hebben kunnen waarderen. Hij was er immers op uit om met zijn eerste opera het kunstgenre `opera' te ontregelen en op te blazen, de traditie kapot te maken. Het klassieke Oedipus-verhaal van Sophocles, hier verteld vanuit het perspectief van zijn zwager/oom Creon, staat voor het hele antieke Griekse drama, dat aan het eind van de 16de eeuw tijdens de Italiaanse renaissance werd gereconstrueerd tot `opera'. Die geboorte van de compleet gezongen opera was een misverstand: anders dan de renaissancisten meenden, werd het antieke Griekse toneel immers niet in zijn geheel gezongen.

De eerste acte van de compositorisch onvoltooid gebleven Creon brengt grosso modo het bekende Oedipus-verhaal. Maar de tweede acte loopt uit op een machtsgreep van Creon in de voorstelling zelf. De orkestbak, waar de operamuziek tot klinken kwam, wordt geruimd. Uiteindelijk krijgt de orkestbak een nieuwe bestemming als het graf van Oedipus, wiens lijk wordt rondgesleurd door zijn dochters Antigone en Ismene. De musici stellen zich – quasi-solidair met het publiek – langs de wanden van de zaal op. Dirigent Thierry Fischer klimt noodgedwongen de zaal in en baant zich een uitweg langs de toeschouwers op de eerste rij.

De authentieke Griekse personages verjagen de hedendaagse operazangers, het podium wordt schoongeveegd, alle opera en bijbehorende pathetiek verdreven. Dood aan de kunst, weg met de artificiële stilering, vervorming en moralisering van de harde realiteit! Leve de rauwe werkelijkheid van strijd, moord, wraak en dood! Creon neemt in de orkestbak de dirigentenplaats in en troont daar op die machtsbasis. Ondertussen doet Polyneices, een zoon van Oedipus, vanuit allerlei posities in de zaal verwoede wraakzuchtige aanvallen op het Thebe van koning Creon.

In de slotscène is het podium voor Creon. Terwijl Oedipus' dochter Antigone hem aanspoort naar de muziek te luisteren, spreekt Creon cynische teksten uit de niet-gecomponeerde derde acte tot het publiek. Het verschijnsel `traditionele opera' is al afgeschaft, nu richt hij zijn pijlen op de Griekse tragedie, die het publiek leert dat conflict leidt tot katharsis, tot inzicht, tot zuivering van de ziel, tot verandering. `Maar er is niet zoiets als katharsis en inzicht, geen zuivering van ziel en verandering. Geloof nooit een Griekse tragedie. Het is schijn, het pretedeert vorm en orde waar die niet zijn, verandering waar die niet kan zijn, inzicht en kennis, waar blindheid de geest beheerst.'

En passant behandelt Creon de zin van het leven en de theaterkunst nog met muzikale en theatrale verwijzingen naar de westerse beschaving, die op de antieke Griekse cultuur is gebaseerd: het Lasciate mi morire (Laat mij sterven) van Caccini, de Abschiedssymphonie van Haydn, Wagners Siegfried en Strawinsky's Oedipus Rex – tot de ironische en dodelijke relativeringen van het toneel en het acteren, zoals bij William Shakespeare, Luigi Pirandello, Samuel Beckett en Thomas Bernhard.

Al is de strekking van Creon opstandig en al is het libretto van Te Nuyl dwars, de muziek van Kerstens is niet in gelijke mate opzienbarend, scherp, expressief of indrukwekkend. Wel leek het belang, de indringendheid en het dynamische contrast van de muziek na het afhaken van Julius Best wat toe te nemen, maar dat kan ook heel goed hebben gelegen aan de ontwikkeling van het drama zelf.

Mijn indruk is dat een groter en luider orkest en een sterker dramatisch aangezette uitvoering de op zichzelf misschien interessante, maar ook erg dubbelzinnige opvattingen van Kerstens en Te Nuyl beter en overtuigender hadden onderstreept. Ze lijken nu te weinig vurig overtuigd van hun eigen gelijk.

Het muzikale idioom van Kerstens is dat van de late Mahler (Das Lied von der Erde, Tiende symfonie): langzaam donker rommelend, wringend gezucht met daarboven hoge, etherisch kale lange lijnen. Via de band wordt dat aangevuld met elektronische effecten, die nu vooral aandoen als de volledig acceptabel geworden avant-garde van eergisteren. Zo klinkt de stem van Oedipus soms als via een krakende, niet goed afgestemde vooroorlogse radio. De zanglijnen, die ook wegens de Engelse teksten vaak aan Benjamin Britten herinneren, zijn prettig aan te horen, maar voor de verschillende personages al te braaf en uniform.

Alleen Polyneices (Patrick Mathurin) onderscheidt zich met zijn zwarte soulvolle geschreeuw tegen Creon ruim voldoende van de rest van de cast, die over het algemeen goed zong, maar ook wel erg keurig en te braaf, althans volgens de normen van de traditionele opera. En met Roberto Salvatori is Creon veel te aardig getypeerd. De persoonlijke uitstraling van de zanger is te vriendelijk en redelijk voor zo'n no nonsense-type, een compromisloos, hardvochtig en meedogenloos personage.

De laatste twintig minuten waren, dankzij Polyneices, zeker de beste en enerverendste van de voorstelling. Achteraf was het incident met Julius Best nog ongeveer het minst opmerkelijke van deze operavoorstelling. Maar Creon mag, zeker gezien de bijna revolutionaire pretenties van het libretto, nog heel wat schokkender, roeriger, nadrukkelijker en extremer. De anti-operaprovocatie, fraai, conceptueel en nogal steriel esthetiserend vormgegeven, leed onder volstrekt onnodige bevangenheid. Traditionele opera is toch nooit stuk te krijgen – en Creon is meer een schone droom dan harde praktijk.

Voorstelling: Creon van H. Kerstens op tekst van P. te Nuyl door de Nationale Reisopera en het Nederlands Balletorkest o.l.v. Thierry Fischer m.m.v. Roberto Salvatori, Julius Best, Lucia Meeuwsen, Susan Narucki. Decors en kostuums: Mirjam Grote Gansey; regie: Peter te Nuyl. Herh.: 24/4 Theater aan de Parade Den Bosch; 26/4 Stadsschouwburg Eindhoven; 27/4 Schouwburg Rotterdam; 1/5 Stadsschouwburg Utrecht; 9/5 Stadsschouwburg Amsterdam.

    • Kasper Jansen