Bel shockeert met minimale effecten

De eerste opvoering van het toneelstuk Ubu van Alfred Jarry liep in 1896 in Parijs uit op een toeschouwersgevecht. Ook Igor Stravinsky, George Balanchine en Serge Diághilev konden rekenen op een Frans hoongelach en handgemeen en zij waren niet de enigen. Je zou denken dat ze inmiddels wel tegen een theatraal stootje zouden kunnen, maar anno 2001 schijnt het Jérôme Bel (1964) toch weer gelukt te zijn het Franse publiek aan het vechten te krijgen met zijn theaterevenement The show must go on. Wat doen Nederlanders in zo'n geval? Een handjevol loopt beheerst en beleefd weg of kijkt meewarig toe, de meerderheid zingt en danst mee. Dat Bel iets losmaakt bij mensen is duidelijk. Het Duitse jonge meisje naast me deelt mee dat ze behoefte heeft om hard te schreeuwen (ze slaakt een bescheiden gilletje) en haar vriendje joelt en fluit mee.

Het geheim van alle commotie is dat Bel eigenlijk niet zoveel doet. The show must go on begint met het nummer `Let the sun shine' uit Hair, terwijl er niemand op het `zonverlichte' toneel is. Stilte. De dj in de zaal haalt de cd eruit en zet een volgend cd'tje op. De Beatles. Achttien mensen, ze lijken zo van straat geplukt laat staan dat ze geschoolde dansers zijn, komen op en staren de zaal beweging- en emotieloos aan. Exit Beatles. Bowie zingt `Let's dance' en het gezelschap begint te dansen alsof het een huiskamerfeestje inclusief stuntelig bewegende mannen betreft. Na Bowie volgen Simon & Garfunkel, The Police, George Michael of Celine Dion en nog wat clichématige meedeiners. De Fransman interpreteert de liedteksten letterlijk en laat de dames op `Ballerina Girl' van Lionel Ritchie doen alsof ze ballerina zijn. `Imagine' van John Lennon moet beluisterd worden in een totaal donkere schouwburg en de dj schuifelt solo in een spot op `Private dancer'. Het in z'n ijzeren consequentie hineininterpretieren van de liedteksten werkt vaak hilarisch en bitter ironisch, irriteert soms in zijn kinderachtigheid, achterhaaldheid en voorspelbaarheid, maar wat er ook gebeurt, het roept reacties op. Even simpel als ingenieus toont Bel een concept. Een concept dat speelt met verwachtingen en drijft op paradoxen van muzikale pampering en het getreiter van een eindeloos dooremmerende Bataillaanse schaterlach. Het resultaat van The show must go on is een theatrale ervaring die nog lang na-ebt.

Humor is ook weer terug te vinden in de nieuwe voorstelling Geluk van het Hans Hof Ensemble, het Nederlands/Duits/Zwitsers choreografencollectief dat al vijf jaar uniek theater maakt. Hun humor is er een van de fijnzinnige en absurde soort en heeft altijd te maken met de condition humaine. De ploeterende en stuntelige mens van Hans Hof gaat dit keer op zoek naar het geluk en zoekt dat in de liefde, het kaartspel, vakantieoorden, de moederschoot en drank. Het indrukwekkende decor geeft al aan dat die zoektocht op een ironisch niets zal uitlopen. Te midden van een volgestouwd plastic plantenparadijs met vies gele verlichting zingt Burt Bacharach de zeven gelukszoekers toe. `Fouter' kan de entourage niet en de gekte slaat als eerste toe bij gastdanser Shintaro Oue die met zijn theatraal talent in menige plantenbak belandt en uit eenzaamheid en ellende walst met de plastic palmen. Een van de dames werpt zich onverstoorbaar in de armen van Andreas Denk, maar gelukkig wil ze er maar niet van worden. Ook het synchroon vloerschuiven of het gooi- en smijtwerk met lichamen levert geen gelukzalige toestanden op.

Geluk is een bijna ouderwetse Hans Hof-productie die voor dikke pret, maar voor weinig verrassingen zorgt. Andrea Boll en Mischa van Dullemen deden dit keer niet zelf mee, maar regisseerden hun mede-oprichters Andreas Denk en Klaus Jürgens plus vijf gastspelers. Veel extra's levert dat niet op, want de drie vrouwen ontbreekt het aan theatrale persoonlijkheid. Ze zijn gezien het decor de perfecte muurbloempjes. Je mist het eigenzinnig mysterie en de scherpe timing van Boll. Toch is alleen al voor het (licht)decor van André Pronk en Pink Steenvorden Geluk een feest waar je een uur lang een beetje mild en gelukkig van wordt.

Echte ambachtelijke dans kwam van de 23-jarige Nanine Linning, sinds kort huischoreografe bij Scapino Ballet Rotterdam. Haar duet Karpp op String Quartet No. 2 en 3 van Jacob ter Veldhuis draait om beweging, muziek en ruimte en licht. Danseressen Mirjam ter Linden en Iris Reyes wervelen dynamisch rond, waaieren uit elkaar, maar vinden elkaar in synchroniciteit, al dan niet gespiegeld. Blackouts in het licht doorbreken de energieke roes van Karpp en geven een extra dimensie aan de uitermate geraffineerde choreografische opbouw. Linning volgt de muzikale structuur van Ter Veldhuis meer dan ze confronteert, maar ook in volgzaamheid op mooie muziek ontstaan juweeltjes. Zo jong al zo'n volleerd meesterschap, het maakt nieuwsgierig naar Linnings ontwikkeling in de nabije toekomst.

Springdance Festival. Hans Hof Ensemble: Geluk; Jérôme Bel: The show must go on; Nanine Linning: Karpp. Gezien in de schouwburgen Utrecht en Rotterdam op 19 en 20 april. Inl. over tournees: www.springdance.nl of (030) 2332032.

    • Ingrid van Frankenhuyzen