Asfalt

En plots, hoek Blaak-Coolsingel, voel ik dat ik de kern van Rotterdam heb ontdekt. De hypothetische hoeksteen waarop leed en krankzinnigheid zijn gebouwd, op maar een zuchtje afstand van de glorie en de premies. Het raakvlak van twee polen die elkaar negeren en toch rakelings langs elkaar strijken. Een leugen. Een aberratie.

God, wat was Rotterdam weergaloos schitterend gisterochtend. Ontegenzeggelijk de mooiste stad van Nederland. Megalomaan als nooit tevoren, oncalvinistisch, eerzuchtig en dominant. De kolossen van steen en glas als een haag van waakzaamheid om het golvende vlees, het lint van nerveuze spieren, de slinger van trotse blikken.

Even is de andere stad vergeten. De alledaagse metropool met haar ploffende lichamen aan het begin van de Heemraadssingel, neergemaaid door een regen van lood. Even geen afrekeningen. Even geen kogels die om je oren vliegen in de Eendrachtsstraat. Geen verschrikte klanten in de cafés aan de Witte de Withstraat die over de grond kruipen om hun kostbaarste bezit veilig te stellen. Geen geschreeuw en getier rond de Pauluskerk. Alle crackkelders onzichtbaar aan het oppervlak van de Mathenesserweg. Zelfs geen beroofde Chinees op de West Kruiskade.

Maar in plaats daarvan de democratische eensgezindheid om klokslag 12 uur op de Coolsingel, de Rotterdamse Champs Elysées. Met in de voorste linies van deze 21ste marathon de juweeltjes uit Afrika, de Spaanse hidalgo's, de Franse Noord-Afrikanen. De dure elite met prestigieuze sponsors en vlak daarachter het zwoegende voetvolk. De werknemers van Eneco, de kantoorbedienden, de postbeambten, de bijstandmoeders, het wachtgeld en de beloofde periodieken. De klassenmaatschappij afgeschaft en vergeten. Ik trap er niet in. Ik ben een eeuwige pessimist die niet gelooft in al dat zwaaiende optimisme, al die glimlachen in de camera's. Meewarig kijk ik naar de rugnummers met vier of vijf cijfers, die van tante Sjaan en ome Joop die zichzelf voor de gek houden en meelopen alleen omdat de Boezemstraat van hun geliefde Crooswijk voor het eerste sinds 1993 weer in het parcours is opgenomen.

Ik spring in de metro van de RET op zoek naar de ontrafeling van deze illusie. Bij station Slinge spring ik er weer uit. Maar twaalf kilometer is nog te vroeg. De kopgroep met Kiprono en Roncero zoeft voorbij en ik zit alweer klem in een gemeentelijk sardienenblik dat mij over de Erasmusbrug heen zal tillen. Maar bij station Leuvenhaven sta ik nog steeds met lege handen. Hooguit merk ik dat de koers een paar minuten voorligt op het schema van het wereldrecord. Totdat ik eindelijk mijn stek vind. Hoek Blaak/Coolsingel.

Hier ruikt het naar kots en buikkrampen. Ik zit op een hek als een aasgier op een tak. Voor mij de streep die aangeeft dat het nog maar vijfhonderd meter is voordat Mario Kadiks, de marathondirecteur, zich als een hebberige en camerageile pater familias over winnaar Kiprono gaat ontfermen. Ik laat de elite voorbijrazen en draai me eindelijk om.

Daar, op dat zuchtje afstand van hen die al binnen zijn, ligt de passage van 25 kilometer. En hier valt niets meer te liegen. Ze strompelen, waggelen en schreeuwen van pijn, mijn tante Sjaans en ome Joops. Crooswijk is nog ver en ze hebben bijna drie uur gedaan over die vervloekte 25 kilometer. Ze komen amper vooruit. Vandaag gaan ze sterven, dat is zeker. De fiere permanenten van de ochtend lijken op vormeloze dweilen, de blubberende hangbuiken hebben spijt van al die pilsjes. En al die potentiële kadavers botsen tegen overstekende toeschouwers vol onverschilligheid. Ik kijk gefascineerd naar al die naïevelingen met nog geen vijftig kilometer training in de benen die hun weddenschappen gaan verliezen. Die hun buurvrouw en de neef uit Vlaardingen nooit zullen epateren. En ik voel een treurige tevredenheid in mij. Democratie bestaat niet in de marathon. Dan, steeds luider, begin ik deze verworpenen van het asfalt aan te moedigen.