Stemmen in een andere kamer

De kranten iedere dag vol mond- en klauwzeer en geen televisie-avond zonder boze boeren. Een uitgelezen moment voor `een studie naar kennis, leiderschap en de rol van de overheid in de Nederlandse landbouw sinds 1945', zeker als die wordt uitgevoerd door iemand die vele jaren voor en op het ministerie van Landbouw werkzaam is geweest als beleidsmedewerker. Hij is nu zelfstandig gevestigd en over de volle hoogte van de achterflap van zijn dissertatie kijkt hij ons herboren en stralend aan. Logisch, want `Dit proefschrift levert een nieuwe kijk op het functioneren van netwerken'. Het is duidelijk, hier staat niet zomaar een tevreden onderzoeker maar ook een man met een overtuiging en een roeping. Ook voor ons is het mogelijk deel uit te maken van een `gezond' netwerk waarin mensen `samen creatief' zijn.

Sinds Arjan Ederveen is het begrip creatief alleen nog in combinatie met kurk denkbaar en bij `responsief' zijn in een `vitaal' netwerk stel ik me onmiddellijk seks van het ondeugende type voor. Ik was dus gewaarschuwd zou je kunnen zeggen, maar ik heb het boek toch opgepakt en ben gaan lezen. Dat viel niet mee, althans ik werd al gauw zeeziek van het meedeinen op lange zinnen vol mooie, vage woorden die mij geen enkel houvast gaven. Anderen ook niet, denk ik, en daarom hoop ik in lastige situaties toch weer mijn voordeel te kunnen doen met een uitspraak als `De coherentiecirkel maakt inzichtelijk dat positiespel en communicatie over inhoud twee factoren zijn die samen de vitale ruimte opspannen waarbinnen creativiteit en verbondenhied in een systeem zich ontwikkelen'. Wie daarvan paf staat kan altijd nog terugkomen met de vraag of `de protestbeweging van boer Koekoek een ondergewaardeerd signaal van een ontvouwingsmogelijkheid in de landbouw was die ten onrechte gemangeld is in de mainstream'. Ook de oude slimme vos zelf zou dat even met stomheid hebben geslagen, maar aan zijn Veluwse hoon zou de gepromoveerde landbouwvoorlichter Wielinga niet ontkomen zijn.

Wielinga was beleidsmedewerker voorlichtingskunde bij Landbouw en ook zijn promotor prof. Roeling is met voorlichting als leeropdracht zijn werk in Wageningen begonnen. Had hij er nu niet wat beter op kunnen letten dat voorlichten een kwestie van verduidelijken en niet van verduisteren is. Zelfs de herdefinitie van voorlichting die Wielinga in het laatste hoofdstuk van zijn boek voorstelt is niet helder: `Voorlichting is een communicatieve activiteit die als doel heeft te stimuleren dat een bepaalde doelgroep relevante kennis verwerft over een specifiek onderwerp'. Het is niet onjuist wat hier staat, het is zeker ook geen onzin, maar het is wel of je door een beslagen ruit naar buiten kijkt of stemmen in een andere kamer hoort. Er is een gesprek gaande, maar je moet heel erg je best doen om te kunnen verstaan wat er gezegd wordt.

Nu weten we nog steeds niets over de rol van de overheid in de Nederlandse landbouw na de Tweede Wereldoorlog. Gelukkig is daar in het boek tussen soms tientallen bladzijden vol wuivend theoretisch graan toch wel het een en ander over te vinden. Het is ook een buiten gewoon interessante en fascinerende geschiedenis, die voor een niet onbelangrijk deel in het teken staat van de kennisintensivering. Nederland is een van de belangrijkste landbouwexporteurs ter wereld en hoewel het aantal boerenbedrijven inmiddels onder de 100.000 is gedaald, nemen de opbrengsten nog steeds toe.

De enorme productiviteit van de Nederlandse landbouw is voor een belangrijk deel het resultaat van een intensieve en uiterst succesvolle samenwerking van alle partijen in wat tot voor kort zo terecht het `Groene Front' werd genoemd. Voor de oorlog was er niet eens een ministerie van Landbouw, maar de sterke behoefte Nederland op voedselgebied zoveel mogelijk zelfstandig te maken, bracht als vanzelf een veel sterkere overheidsregie met zich mee. Mansholt en de Marshall-hulp maakten het mogelijk dat de Nederlandse landbouwsector het levende bewijs werd van de kracht die eendrachtig samenwerkende partijen kunnen ontwikkelen.

Wetenschappelijk onderzoek speelde daarbij een grote rol en ook daarin deed zich iets unieks voor: de combinatie van onderzoek, `best practices' en voorlichting en advisering zorgde voor een buitengewoon snelle introductie van innovaties en een eveneens snelle terugkoppeling van de ervaringen uit de praktijk naar het onderzoek. Meer dan duizend door de overheid betaalde voorlichters en consulenten, over het hele land verspreid, vormden het fijnmazige netwerk van kennisdiffusie dat de Nederlandse landbouw tot een toenemend gerationaliseerde en op hoge opbrengsten georiënteerde bedrijfstak maakte.

Wielinga wijst er op dat alle partijen elkaar ook steeds weer overal tegenkwamen, tot op de verjaardagen toe. Ook de ambtenaren van het ministerie en het steeds machtiger wordende Landbouwschap, de onderzoekers in Utrecht en Wageningen, de fractiespecialisten in de Tweede Kamer en zeker de ministers, waren afkomstig uit boeren- en tuindersfamilies. Voor een belangrijk deel is dat nog zo. Van Aartsen en Brinkhorst zijn de eerste echte `burger'ministers. De figuur van Mansholt staat in deze geschiedenis decennia lang centraal, ook op Europees niveau, als hij vanaf 1956 in Brussel vorm gaat geven aan het Europese landbouwbeleid. De subsidie- en tarievenstructuur die dan ontstaat leidt tot de legendarisch geworden boterbergen, vleespakhuizen en wijnzeeën. Het boerenbedrijf wordt grootschaliger en moet dat ook worden om renderend te kunnen blijven. Zeker als – we zijn dan al in de jaren tachtig – het Europese landbouwbeleid een omslag maakt en de winstmarges voor de boeren steeds kleiner worden, terwijl ze tegelijkertijd aan steeds meer regelgeving op het gebied van het beheer van dieren of het omgaan met de mest onderworpen worden.

Weinig mensen beseffen dat de echte landbouwrevolutie misschien toch wel de verandering in de productiewijze is geweest, die boeren ertoe heeft gebracht het voer voor hun dieren te importeren, het vlees en de melkproducten te exporteren en het in alle opzichten veel te veel aan mest in de omgeving te dumpen. Het landbouwonderzoek had zich in het streven naar productieverhoging nooit beziggehouden met ecologische vraagstukken of de ontwikkeling van schone technologie.

In de jaren zeventig wordt men dan ook verrast door de aanzwellende kritiek in de samenleving op de sector. Ook in de eigen gelederen ontstaan tegenstellingen en het Groene Front begint scheuren te vertonen. De Europese Gemeenschap wil eerder minder dan meer landbouw, de nationale overheid wil meer op afstand sturen en controleren, de concurrentie van de `natuur' (aanvankelijk het stiefkindje van het ministerie van Landbouw) wordt sterker en de biologische landbouw doet zijn intrede. De collectieve sturing van de landbouw loopt op haar eind en niet langer is kennisontwikkeling en kennisgebruik een gratis voorziening ten gerieve van de boer.

In kort bestek schetst Wielinga hoe de tucht van de markt de ooit zo beschutte en beschermde landbouwwereld binnendringt, maar ook hoe streng de regels worden waar de boeren zich aan hebben te houden. De problemen die nu zichtbaar worden in de BSE-crisis en de MKZ-epidemie zijn de late gevolgen van een te eenzijdige ontwikkeling van de landbouw, ingegeven door een veel te beperkte opvatting van rationele bedrijfsvoering op het niveau van de individuele boer zowel als op het niveau van de sector als geheel. De enorme financiële belangen die juist door deze benadering zijn ontstaan, de extreme afhankelijkheid van externe financiers ook, maakt dat het zo moeilijk is voor vooral de veehouders om over te stappen naar andere productiewijzen. De consument maakt het hen daarbij ook niet gemakkelijk, omdat die ook niet veel geld over heeft voor voedsel, dat eigenlijk veel duurder en zelfs zeldzamer zou moeten zijn. De mens heeft zichzelf steeds meer tot vleeseter gemaakt.

Wielinga heeft geprobeerd op al deze aanbiedingen greep te krijgen en de crisis die eruit is voortgekomen te interpreteren in het kader van een groot schema van verschuivende paradigma's. Het echte verhaal van de opkomst en neergang van de Nederlandse landbouw is daarin helaas kopje onder gegaan.

Eelke Wielinga: Netwerken als levend weefsel. 400 blz., ƒ79,90.

Wageningen Universiteit, 17 april. Promotores: prof.dr.ir. N.G. Roeling, prof.dr. H. van Gunsteren.

    • Paul Schnabel