Ruimen spaart dieren

De Nederlandse mkz-bestrijding met noodvaccinaties jaagt theoretisch gezien veel meer dieren de dood in dan wanneer direct wordt geruimd. Dat blijkt uit rekenmodellen van Britse epidemiologen.

De MKZ-epidemie lijkt bedwongen in Nederland. Al sinds witte donderdag, nu ruim een week geleden, staat het aantal besmette bedrijven op 25. De sporen van de uitbraak blijven echter nog lang zichtbaar. Vanuit de drie uitbraakgebieden verdwijnt nog steeds gevaccineerd vee naar de slachthuizen. Hun kadavers worden vernietigd. Als alle vatbare dieren weg zijn en de boerderijen grondig zijn ontsmet moeten de stallen 30 dagen leeg blijven. Dan begint het boeren opnieuw. Er ontstaat een nieuwe populatie die, zolang de EU het vaccineren verbiedt, onbeschermd is tegen het MKZ-virus dat op de halve wereld rondwaart en ieder moment opnieuw binnen kan vallen.

Het wordt tijd voor de evaluatie van de aanpak van de MKZ-crisis in Nederland. En uit rekenmodellen van Britse epidemiologen die de veel grotere Britse epidemie bestuderen rolt de conclusie dat de ogenschijnlijk praktisch-ethische Nederlandse aanpak kwistig met dierenlevens omgaat.

In principe volgt Nederland de binnen de EU afgesproken aanpak van uitroeien van het virus door in een cirkel rond een besmet bedrijf al het vatbare vee af te maken. Dat heet stamping out. In Groot-Brittannië leidde dat tot brandstapels en tot massagraven toen de uitbraak er historische proporties aannam. ``In Nederland geen brandstapels'', zei minister Brinkhorst toen in Olst en Oene MKZ uitbrak – een maand na de Britten. Ook massagraven voor geruimd vee wees hij af. Nederlands enige destructiebedrijf Rendac (met vestigingen in het Friese Bergum en het Brabantse Son) moet alle dieren vernietigen, maar de capaciteit is beperkt. Daarom zijn noodvaccinaties onderdeel van de aanpak.

Drie onderzoekers van de afdeling infectieziekte-epidemiologie van de Londense Imperial College School of Medicine stuurden in de week voor Pasen hun berekeningen over de beïnvloedbaarheid van de Britse epidemie naar Science. De redactie plaatste het artikel direct op de website (www.sciencemag.org). De Britten zagen op 19 februari varkens met mond- en klauwzeer in een slachthuis in Essex. De bron bleek een varkenshouderij in Haddon on the Wall, aan de andere kant van Engeland, waar de boer (met vergunning) zijn dieren etensafval voerde.

De epidemiologen voorspellen het effect van verschillende maatregelen op het verloop van de epidemie. Ze gebruikten gegevens uit de eerste 50 dagen van de MKZ-uitbraak. Invoergegevens zijn de onderlinge afstanden van de besmette bedrijven, de data van de ziektemelding, van de officiële testuitslag en van het ruimen van ieder getroffen bedrijf. De epidemie dooft uit als een besmet bedrijf gemiddeld minder dan één ander bedrijf aansteekt. In vaktermen moet R0 onder de 1 dalen.

Het begin van de epidemie ligt wat de Britse onderzoekers betreft rond 5 februari. Dat is twee weken voor de ziekte op 20 februari officieel werd vastgesteld. De varkens van het bronbedrijf waren waarschijnlijk al twee weken besmet. En dus ook besmettelijk. De bekende verplaatsingen van besmette dieren, zoals die door de Britse dierengezondheidsdiensten zijn getraceerd, kregen een plaats in het model. Gegevens over lokale uitbraakpatronen leverden de informatie over de plaatselijke contacten zoals die op het ogenblik kennelijk op het platteland plaatsvinden.

Ook het afgekondigde vervoersverbod kort nadat de ziekte was vastgesteld (maar volgens critici een paar dagen te laat) is in het model verwerkt en blijkt van grote invloed. Sinds dat vervoersverbod ontstond 12% van de nieuwe besmettingen buiten een cirkel van 10 kilometer rond besmette boerderijen. In de weken daarvoor zagen de Britten bijna 40% van de nieuwe besmettingen op meer dan 10 kilometer afstand van de bronbedrijven, wat sterk aan de verspreiding bijdroeg.

De Britse cijfers maken in ieder geval duidelijk dat het uitblijven van een tweede besmetting in Kootwijkerbroek geen bewijs is dat daar helemaal geen MKZ heeft geheerst. Iedereen kan dat op zijn vingers nagaan, maar de getroffen boeren, wiens vee wordt gedood, gebruiken het toch als argument in hun strijd tegen de overheid. In Groot-Brittannië, waar hetzelfde virus huishoudt, had een bedrijf dat binnen 500 meter van een besmet bedrijf ligt een kans van 26% om ook besmet te raken. Lag het bedrijf een kilometer verderop dan is die kans gedaald tot 6% en op 1,5 kilometer afstand is de kans 2%.

Belangrijker is de vraag of de Britse cijfers iets zeggen over de algehele aanpak in Nederland. Minister Brinkhorst handelt volgens een bio-ethisch uitgangspunt dat hij enige tijd geleden in een discussie rond het opkopen en vernietigen van door de BSE-crisis overbodige runderen formuleerde: een dier dat we op de wereld zetten om op te eten moeten we in principe ook consumeren en niet als oud vuil vernietigen. Volgens het Britse model voldoet de Nederlandse aanpak niet aan die koopmansethiek.

``De ziektebeheersing bij zo'n uiterst besmettelijke ziekte, in een omgeving waarin de vatbare dieren dicht opeen leven en vaak worden vervoerd, is afhankelijk van een effectieve controle en een snelle vernietiging van dieren op besmette boerderijen'', schrijven Neil Ferguson, Christl Donnelly en Roy Anderson in hun Science-artikel. ``Onze analyse laat zien dat de epidemie duidelijk vertraagt als alle dieren op een bedrijf worden afgemaakt binnen een etmaal nadat de ziekte is waargenomen, zonder op de officële bevestiging van het laboratoriumonderzoek te wachten.'' Die situatie werd in Groot-Brittannië pas de afgelopen twee weken bereikt. R0 daalde toen voor het eerst onder 1, waar hij aanvankelijk bijna 2 was. Bepalend daarvoor was dat de dieren op besmette bedrijven in het begin van de epidemie vaak pas na 3,5 dag werden afgemaakt, in de drie zwaarst getroffen graafschappen duurde het nog een dag langer.

In Nederland zijn in het begin een paar bedrijven geruimd omdat ze verdacht waren. Voor de geiten en kalveren van de Nederlandse bronboerderij in Oene kwam de bevestiging vier dagen nadat de dieren zijn gedood. Maar het bedrijf werd pas drie dagen na de eerste verdenking geruimd.

Na een week en nog voor het tiende MKZ-geval zich aandiende bereikte destructiebedrijf Rendac de grens van zijn capaciteit en besloot het ministerie de mogelijkheid van noodvaccinatie die de EU biedt te gebruiken. In een kring rond een besmet bedrijf worden vatbare dieren dan gevaccineerd en later vernietigd.

Bij noodvaccinatie dooft de epidemie ook wel uit, laat het Britse model zien, maar het gebeurt minder effectief dan na het direct doden van dieren in een kring rond een besmet bedrijf. Noodvaccinatie in een gebied met een straal van 3 kilometer rond een besmet bedrijf is nog minder effectief dan het binnen 48 uur doden van dieren in een straal van 1 kilometer rond een besmet bedrijf. Als de straal van een cirkel driemaal zo groot wordt, wordt het oppervlak negenmaal zo groot. In een landbouwgebied met een regelmatig gespreide dierbezetting moeten dus negen maal zoveel dieren een noodvaccinatie ondergaan om een MKZ-uitbraak even effectief te bestrijden als bij een snelle ruiming. Zolang de EU aan het bekritiseerde non-vaccinatiebeleid vasthoudt en gevaccineerde dieren dus economisch gezien waardeloos zijn en vernietigd moeten worden, kosten noodvaccinaties dus veel meer dieren het leven dan direct doden.

Het is op dit moment moeilijk te analyseren of de Nederlandse aanpak inderdaad onnodig verkwistend was. Daarvoor zijn bijvoorbeeld de overwegingen nodig die leidden tot de instelling van het grote afgesloten gebied in de driehoek Zwolle, Deventer, Apeldoorn waarbinnen alle dieren zijn gevaccineerd en nu worden vernietigd. Dat gebied was duidelijk ruimer dan de strikte ruimingscirkels rond besmette boederijen.

Vooral vanuit de steden gaan er – gevoed door getuigenissen van oudere boeren die eerder mond- en klauwzeerepidemieën zagen – stemmen op om de ziekte te laten uitwoeden zonder vaccinatie. Een koe zou slechts twee weken ziek zijn. Ook hier speelt de economische waarde van het beest weer een rol. Diergeneeskundige handboeken wijzen op de forse sterfte onder jonge dieren en op onvruchtbaarheid, groeiachterstand en een blijvend lagere melkgift. Dieren die flink ziek zijn geweest doen er een jaar over om weer een beetje op gang te komen. De kans dat overlevende dieren stille dragers van het virus worden is vooral bij koeien niet denkbeeldig. Die dieren kunnen maanden later de bron van een nieuwe uitbraak worden. Maar herstelde dieren zijn economisch vaak weinig meer waard.

Steeds weer blijkt hoezeer Nederland klem zit tussen emotie en economie. Nederland mag de gevaccineerde dieren best in leven houden, maar blijft dan met tweederde tot driekwart van zijn vlees en zuivel zitten dat anders zou worden geëxporteerd. De boeren kunnen tegen het afmaken van hun dieren zijn, maar als de dieren in leven blijven gaat driekwart van de boeren failliet.

    • Wim Köhler