Oordelen over iets van zesduizend kilometer verderop

In Brussel staan vier Rwandezen terecht wegens mogelijke betrokkenheid bij de genocide in hun land. Maar eigenlijk gaat het proces over de competentie van de Belgische rechtbank als internationaal tribunaal.

,,...'' Advocaat Serge Wahis zegt iets onverstaanbaars. En laat een stilte vallen. De ogen van de 24 Belgische juryleden tegenover hem blijven strak op hem gericht. Dan gaat Wahis verder: ,,Dit, geachte dames en heren, was een groet in het kinyarwanda, de Rwandese taal. Als u dit al niet begrijpt, hoe kunt u, respectabele Belgische burgers, dan een oordeel vellen over een genocide zesduizend kilometer verderop?''

Wahis is de Belgische advocaat van twee Rwandese nonnen die sinds dinsdag, samen met een Rwandese zakenman en een Rwandese hoogleraar meteorologie, in het Justitiepaleis in Brussel terechtstaan wegens misdaden tegen de menselijkheid. Zij zouden medeplichtig zijn aan de moord op 500.000 tot 800.000 Rwandezen – vooral Tutsi's – tijdens de burgeroorlog in 1994. Althans, dat vinden de nabestaanden van een aantal slachtoffers, die de rechtzaak in Brussel in gang hebben gezet. En ook de Belgische onderzoeksrechter Damien Vandermeersch, die de klachten van de nabestaanden sinds 1995 met feiten heeft geprobeerd te staven.

Maar de `Vier van Butare', de verdachten, pleitten op de tweede dag van het proces `onschuldig'. De komende zes weken (wellicht langer) doen advocaten en getuigen van beide partijen hun best om de jury van hun gelijk te overtuigen. Emoties worden niet gespaard.

Rechter Vandermeersch plengde tranen toen hij de jury vertelde over duizenden kadavers van vrouwen en kinderen die hij tijdens zijn vier onderzoeksmissies in Rwanda uit latrines opgediept zag worden. En de meteorologieprofessor fluisterde vol compassie over zijn drie kinderen en over ,,mon cher papa'' die na de tragische, vroege dood van zijn echtgenote geen geld had gehad om het schoolgeld van zijn acht kinderen te betalen.

In het monumentale Justitiepaleis uit de koloniale periode, met zó veel gezuilde gangen en gewelven, dat zelfs de bodes er soms verdwalen (,,Een symbool van de ontoegankelijkheid van de Belgische justitie'', zeggen cynici), gaat het echter niet alleen om emotionele overredingskracht of het gelijk of ongelijk van de beklaagden. Wat in de waagschaal ligt, is de competentie van een Belgische rechtbank om zich op te werpen als internationaal tribunaal.

België is het enige land ter wereld waar mensen (sinds 1999) anderen kunnen aanklagen wegens misdaden tegen de menselijkheid, genocide, foltering of oorlogsmisdaden, ongeacht hun woon- of verblijfplaats. De Rwanda-zaak is de eerste die tot een proces leidt: er lopen arrestatiebevelen tegen andere buitenlanders, onder wie een Congolese minister, die echter nooit aan België zijn uitgeleverd. Er is de Belgische justitie dus veel aan gelegen om dit historische proces rimpelloos te laten verlopen. ,,U bent niet alleen een Belgische rechtbank, u vertegenwoordigt de hele mensheid'', hield een advocaat van de Rwandese nabestaanden de jury voor. In de hoge, met marmer en donker hout beklede zaal knikte het handjevol bezoekers instemmend – bezoekers die later, toen de Rwandese zakenman zijn verhaal mocht doen, snuivend hun ongenoegen toonden over het feit dat deze ,,oorlogsmisdadiger überhaupt zijn leugens mag ventileren''.

,,In Arusha mogen de beklaagden niks zeggen. Zo moet het in Brussel ook'', zegt een Rwanda-kenner, verwijzend naar het Rwanda-tribunaal van de Verenigde Naties in de Tanzaniaanse hoofdstad. Alsof voor Afrikanen wel de Belgische rechtspraak, maar niet de Belgische regels mogen gelden. Over de antecedenten van de nabestaanden of de slachtoffers zelf, die ook uit het land komen ,,waar iedereen bloed aan zijn handen heeft'', wordt overigens niet gerept.

,,Zaken als deze kunnen het beste worden afgehandeld door rechtbanken in het land waar de misdaden zijn gepleegd'', zei rechter Vandermeersch vorige week tegen deze krant. ,,Pas als dat niet kan, springen wij erop in.'' De redenen dat de vier in Brussel en niet in Arusha terechtstaan, zijn divers. Zij zijn na de burgeroorlog naar België gevlucht en kunnen niet worden uitgeleverd, al zou Arusha erom vragen: er is geen uitleveringsverdrag.

Ook berecht het VN-tribunaal meest hooggeplaatsten. Dat zijn de hoogleraar en de nonnen zeker niet. De zakenman wél: hij was kortstondig minister in Rwanda. Het tribunaal in Arusha heeft zijn dossier een paar jaar geleden bij het Brusselse gerecht opgevraagd, maar dat als `te licht' van de hand gewezen. Op de eerste procesdag vroeg de advocaat van de zakenman dan ook om de aanklacht tegen de man niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank verwierp die stelling: er zouden nieuwe feiten aan de dagvaarding zijn toegevoegd. ,,Ik heb nog nooit mijn eigen aanklacht hoeven intrekken!'' zei de officier van justitie nog.

Zelfs voor wie het belang inziet van internationale jurisdictie, waren de eerste dagen van het Rwanda-proces vervreemdend. De rechtbank is blank. De jury is blank. De advocaten zijn, op één na, blank. In de zaal staat een glazen kooi met vier verdachten erin, en die zijn zwart. De 170 getuigen die opdraven, zijn bijna allemaal zwart.

Het Rwandese inferno van 1994 dat zij oproepen, staat haaks op de Brusselse politieagent die bij de ingang een nagelschaartje uit een damestas in beslag neemt. Een van de beklaagden had vijf minuten nodig om uit te leggen hoe het kwam dat zijn drie kinderen verschillende achternamen hebben. Naar de glazige blikken van de juryleden te oordelen begrepen ze achteraf nog weinig van dit traditionele Rwandese gebruik.

Toch heeft de zaak meer Belgische trekjes dan die cultuurkloof doet vermoeden: de vier hebben ook vóór de burgeroorlog in België gewoond. De mannen studeerden in Louvain-la-Neuve of Antwerpen en waren politiek actief in Rwandese studentengroepen, de vrouwen zaten in Waalse kloosters.

Een andere paradox: uitgerekend in een week waarin de Verenigde Naties bekendmaken dat Belgische bedrijven actief de oorlog in de Congo (waaraan ook Rwandese facties deelnemen) in gang houden, werpt België zich op als de politieagent van dat deel van de wereld.

Deze dubbele bodems maken dat het Rwanda-proces méér is dan een simpel-ogende rechtszaak over goed en kwaad. Ze kunnen het proces parten spelen, of zelfs op een fiasco laten uitlopen – en daarmee de groeiende trend naar internationale jurisdictie op het gebied van mensenrechten beïnvloeden. Een advocaat sloeg de spijker op de kop toen hij zei: ,,Dit is het proces van alle gevaren''.

    • Caroline de Gruyter