NU ER GELD IS, WILLEN ZE MEER

Minister Hermans is een verademing, zegt Kamerlid Clemens Cornielje (vvd). Deel vijf in een serie gesprekken met onderwijswoordvoerders.

De altijd strak in het pak gestoken Clemens Cornielje (42) wijst in Kamerdebatten collega's graag terecht als hun uitlatingen niet stroken met het beleid van hun partij in het recente verleden. Sinds zeven jaar is hij onderwijswoordvoerder voor de VVD. Met Ursie Lambrechts (D66) is hij daarmee de enige met een lange-termijngeheugen op onderwijsgebied. Cornielje is VVD'er ``in hart en nieren''. Achttien jaar geleden werd hij beleidsmedewerker van de fractie, daarvoor was hij leraar biologie en wiskunde in het voorbereidend en middelbaar beroepsonderwijs.

Wat heeft Paars II het onderwijs opgeleverd?

Cornielje: ``Met Hermans is er een einde gekomen aan een onderwijspolitiek die werd gekenmerkt door eenvormigheid. Er is ruimte gekomen voor verschillen en dat vind ik een verademing. Het besef is doorgebroken dat ongelijke gevallen een ongelijke behandeling behoeven. Daarom was de basisvorming, waarbij alle leerlingen in de eerste jaren van de middelbare school dezelfde vijftien vakken krijgen, tot mislukken gedoemd. Kinderen met een achterstand moeten alle hulp krijgen die ze nodig hebben. Kinderen met een voorsprong moeten niet worden afgeremd, maar juist gestimuleerd.

``Hermans is voor deregulering: minder regeltjes uit Zoetermeer en meer ruimte voor het eigen beleid van instellingen. Ik sta daar achter, maar het is niet genoeg. Er moet ook meer ruimte komen voor verschillen tussen leraren. Nu kun je als leraar conrector worden en that's it. Dat moet een verscheidenheid aan verschillende functies worden: bijvoorbeeld assistent-leraar, leraar, senior-leraar en excellente leraar. Die verschillen moeten mensen terugzien in het salaris. Leraren die zich laten bijscholen, die breed inzetbaar zijn, collega's begeleiden en meewerken aan onderwijsvernieuwingen, die kunnen extra beloond worden.

Met één nadeel: door de tekorten zijn er geen leraren voor die functies.

``Hermans is creatief bij het aanboren van nieuwe groepen leraren zoals herintreders en zij-instromers, maar die mogen het beroep niet devalueren. We moeten strenge kwaliteitseisen blijven stellen zoals bijvoorbeeld een relevant hbo-diploma.''

Heeft de politiek het lerarentekort niet enorm onderschat?

``Je kon het lang zien aankomen door de klassenverkleining en de vergrijzing die nog werd versterkt door het last in first out-principe. De VVD heeft de vorige bewindslieden daarop gewezen. Hermans probeert het probleem nu aan te pakken. Met name de onderwijsbonden stellen zich weinig coöperatief op. Het last in first out-principe was hun idee. Ook waren ze tegen het verzilveren van adv-dagen, terwijl dat op vrijwillge basis zou zijn. Ze liggen te vaak dwars terwijl we op de goede weg zijn. Wat in tien jaar mis is gegaan, is niet in twee jaar op te lossen.''

U bent optimistisch, maar de sector schreeuwt moord en brand.

``Er is nog nooit zoveel geld naar onderwijs gegaan als tijdens dit kabinet. Grofweg vier miljard gulden structureel en een miljard incidenteel. Toch is de onderwijssector nog nooit zo ontvreden geweest. Nu er geld is, willen ze meer. De VVD overigens ook, maar je moet op de lange termijn kijken. Het aflossen van de staatsschuld van 500 miljard is ook belangrijk. We betalen nu 30 miljard gulden per jaar aan rente. Als we die schuld aflossen kan de rente structureel naar onderwijs, zorg en veiligheid.''

Maar sommige problemen, zoals de leerachterstanden, kunnen toch niet wachten?

``De onderwijsachterstanden krijgen eindelijk de aandacht die ze verdienen. Het achterstandenbeleid, en dus ook het geld dat daarvoor beschikbaar wordt gesteld, is sinds 1998 in handen van de gemeenten en de scholen. Dat vind ik een verbetering, omdat gemeenten beter zicht hebben op de juiste besteding ervan. Leerachterstanden kan je niet geïsoleerd aanpakken. Het gaat ook om de wijk, aanpak van langdurige werkloosheid van de ouders, verbetering van de gezondheidszorg, aanbod van Nederlandse taalcursussen voor de ouders.''

Maar als Adelmund het verwijt krijgt dat het niet opschiet met de aanpak van de achterstanden, zegt ze dat ze er niets over te zeggen heeft. Hoe kan dat?

``Dat klopt niet. Scholen, gemeenten en de staatssecretatis hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Adelmund moet in het landelijk beleidskader duidelijk meetbare doelen stellen waaraan scholen en gemeenten zich moeten houden.''

U vindt de huidige kerndoelen onvoldoende?

``Absoluut. Die zijn veel te vaag. Het moet precies duidelijk zijn wat kinderen moeten kennen en kunnen. Nu gaan er bijvoorbeeld stemmen op kinderen sociale competentie bij te brengen. Natuurlijk, daar is iedereen voor. Maar wat is het precies? Dat weet niemand. Het is een politiek correcte modegril. Als er geen duidelijke resultaten te zien zijn, moeten we er geen geld insteken. Er worden miljoenen guldens in het achterstandenbeleid gepompt, maar de Rekenkamer concludeerde onlangs dat ze niet kunnen nagaan of het geld goed wordt besteed. Dat maakt mij bedroefd.''

Hoe wilt u dat gaan meten?

``Kinderen die naar de basisschool gaan, moeten worden getest. Er zijn goede toetsen voor zesjarigen. Toetsen op vierjarige leeftijd, zoals Hermans onlangs opperde, lijkt me een beetje vroeg. Op twaalfjarige leeftijd, als de leerlingen de basisschool verlaten, moet er opnieuw getoetst worden. Dat kan heel goed met de Cito-eindtoets, maar die moet dan wel verplicht worden, ook op achterstandsscholen. Allochtone kinderen krijgen bijna twee keer zoveel geld als een autochtone leerling, dan moet de school laten zien wat ze met dat geld doet. Dat is toch niet zo gek? Het meten van kinderen heeft nog een ander voordeel. Het extra geld krijgen scholen met allochtone kinderen nu op basis van het opleidingsniveau en etniciteit van de ouders. Dat moet veranderen want het is niet van belang. Zwart is niet het probleem, achterstand wel. Pas na een test weet je of een kind een achterstand heeft.''

Het beroepsonderwijs is een van uw andere stokpaardjes. Waarom?

``Het beroepsonderwijs is ten onrechte lang een ondergeschoven kindje geweest. Veel ouders sturen hun kind liever naar havo of vwo. Ze denken dat dat meer status heeft, maar ik vind dat onzin. Een havist heeft een toegangsbewijs voor het hbo, terwijl een mbo'er daarnaast ook nog een beroepskwalificatie heeft. Het zijn twee gelijkwaardige leerwegen.

``De Regionale Opleidings Centra (ROC's), waaronder de mbo-opleidingen vallen, zijn enorm complex. Ik heb grote waardering voor de docenten die er werken. Er worden allerlei opleidingen aangeboden: dag- en deeltijdopleidingen, volwassenenonderwijs, werken-leren-trajecten. En dat in tal van specialisaties en op vier verschillende niveaus. Er wordt veel maatwerk geleverd.''

Een veel gehoorde klacht is juist dat het te groot en te onoverzichtelijk is geworden nu alle mbo-scholen onder een ROC vallen.

``Juist om alle verschillende opleidingen te kunnen bieden is een zekere omvang nodig, al moet dat wel kleinschalig worden georganiseerd in verschillende vestigingen. Dat maatwerk is nodig om te voorkomen dat leerlingen voortijdig afhaken. Het hoofddoel was het verminderen van het aantal dropouts.''

Dat is toch niet gelukt?

``De schuld voor het grote aantal voortijdig schoolverlaters ligt niet bij het mbo maar bij de basisvorming. Leerlingen die met hun hoofd, hart en handen bezig willen, zijn raken gedemotiveerd door het grote aantal algemeen vormende vakken die ze moeten volgen. Het mbo zit op de goede weg.''

    • Sheila Kamerman