Moeder van de wereld wankelt

Egypte zit in een diepe economische recessie. De elite verrijkt zich en de rest van de bevolking moddert voort. Toch hoeft het dictatoriale regime van Mubarak niet te vrezen voor een revolutie. Alles is beter, zeggen de Egyptenaren, dan de boze Westerse buitenwereld.

Een gesprek zoals je er in Egypte desgewenst tien op een dag kunt voeren:

,,Bij jullie in het Westen is het normaal dat een broer en een zus het met elkaar doen hè?''

,,Hoe kom je daar nu bij?''

,,Dat is gewoon zo. Iemand die ik ken is in Europa geweest, en die heeft het zelf gezien.''

Of:

,,Jij bent een Westerse journalist? Dan werk je voor de joden.''

,,Hoe kom je daar nu bij?''

,,Kom nou toch, dat weet iedereen. De Westerse media en politiek worden gecontroleerd door de zionisten. Daarom steunen jullie Israël.''

En:

,,Wist jij dat het Egyptische kind het meest intelligente is ter wereld? Dat is wetenschappelijk bewezen.''

,,Waarom is het hier dan zo'n puinhoop?''

,,Door het slechte onderwijs komt onze intelligentie niet tot ontwikkeling. Dat is de schuld van het Westen. Eerst het kolonialisme, nu de Westerse culturele invasie. Jullie proberen ons van binnenuit te verzwakken. Niet jij persoonlijk hoor, maar de grotere machten achter de schermen. Jij bent welkom in Egypte, Umm iddunya, de moeder van de wereld.''

Wie nooit in Egypte is geweest of zich heeft beperkt tot de toeristische attracties, zal deze dialoogjes misschien lezen als een politiek incorrect rariteitenkabinet. Maar begin een gesprek met een gemiddelde Egyptenaar in het openbaar vervoer, in het koffiehuis, in een sloppenwijk of op de campussen van de massa-universiteiten – en dit is erg vaak wat je, naast een hartelijke bejegening, krijgt: agitatie tegen joden en Israël, extreem chauvinisme en een volstrekt vertekend beeld van de zeden in het Westen. Dit alles gekoppeld aan allerlei theorieën over Westerse samenzweringen, die moeten verklaren waarom de zevenduizend jaar oude beschaving van Egypte, centrum van moslimgeleerdheid, niet de rol speelt die het toekomt, namelijk leider van zo niet de wereld, dan toch zeker van het Midden-Oosten.

Hoe breed dit soort ideeën onder de 65 miljoen Egyptenaren uiteindelijk wordt gedragen, weet niemand. Want opiniepeilingen in de dictatuur Egypte zijn taboe, net als vrije verkiezingen en vrije uitwisseling van ideeën. Maar waar de paranoia, xenofobie en jodenhaat onder Egyptenaren vandaan komen is duidelijk: de media.

Een deel is misverstand. Eenvoudige Egyptenaren zonder reiservaring of scholing (40 procent van de bevolking is analfabeet) zien in hun Nijldorpje of sloppenwijk hoe in de Amerikaanse soapserie The Bold and The beautiful de hoofdpersoon eerst met meneer X trouwt, dan met diens broer en dan met hun vader. Hun conclusie: zo gaat dat dus in het Westen. Van familieleden die werken in het toerisme horen ze over flirtende toeristes in bikini, terwijl zelfs hoeren in Egypte zich kuiser uitdossen. Op het nieuws vernemen Egyptenaren van aanslagen tegen buitenlanders in Duitsland, van hooligans in Nederland en zedenzaken in België, en ze concluderen: die Europeanen, dat zijn agressieve en racistische pornografen.

Het is grosso modo hetzelfde mechanisme als wanneer Europeanen op basis van een handvol anekdotes, ervaringen uit de tweede hand en nieuwsberichten over islamitische landen verregaande conclusies trekken over de moslim.

Lady Di

Maar in Egypte blijft het niet bij misverstand. Er is ook een forse factor moedwil in het spel. Sla een dag- of weekblad open van de semi-onafhankelijke of van de Egyptische staatspers en je leest dat de CIA Lady Di en Dodi Fayed heeft vermoord omdat het Britse koninklijk huis geen moslim in de familie wilde. Dat Pepsi betekent `Pay every penny to save Israel' en het logo van Coca-Cola in spiegelbeeld zegt: `Er is geen Mohammed.' Regelmatig brengen Egyptische kranten `bewijzen' dat de Verenigde Staten in 1990 Saddam Hussein Koeweit in hebben gelokt, om met de Golfoorlog de Arabische wereld te verdelen en tegelijkertijd de Arabische Golfstaten tot enorme militaire aankopen te dwingen. Dat de Boeing van Egypt Air die anderhalf jaar geleden neerstortte bij de Amerikaanse kust, is neergehaald door de Mossad. Dat diezelfde Mossad in de Nijldelta de oogst heeft laten mislukken en er kauwgom vol afrodisiacum verspreidt, terwijl het in de Sinaï-woestijn Israëlische meisjes met aids op Egyptische knapen afstuurt. Dat Westerse ontwikkelingswerkers campagne voeren tegen vrouwenbesnijdenis met als doel ,,de schaamte van de Egyptische vrouw te bezoedelen'' en het land te gronde te richten.

Semi-onafhankelijke sensatiekranten pakken op de voorpagina uit met verhalen als `Kofi Annan en Verenigde Naties willen huwelijk van sjèwèz [letterlijk `abnormalen', de gangbare Arabische term voor homoseksuelen] opleggen aan islamitische gemeenschap der gelovigen', `Westen doodt miljoenen kinderen in Irak met nucleair bombardement' of `Drie miljoen dollar voor mensenrechtenactivist om Egypte zwart te maken'. Over de joods-orthodoxe Amerikaanse ambassadeur Koertzer in Kairo schreef de staatskrant al-Gumhuriyya in een hoofdartikel: ,,Wij hebben schoon genoeg van Koertzer en zijn soort mensen.'' De nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, moest het na de Amerikaanse bombardementen op Irak en zijn bezoek aan ,,zijn bazen in Tel Aviv'' eveneens ontgelden. Eerst schreef al-Akhbar hem `een vogelbrein' toe, vervolgens vroeg de krant zich af waarom de Amerikanen ,,eerst een jodin [Madeleine Allbright] en nu een neger'' nemen, kunnen ze niets beters vinden? Ten slotte schreef het over Powells bezoek: ,,De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken schrok er niet voor terug zich te onderwerpen toen hij in Israël was. Daar stond hij nederig, een joodse yarmulke (keppeltje) op z'n hoofd, voor het standbeeld voor de fictieve holocaust van de joden in de Tweede Wereldoorlog.'' Al-Akhbar wordt gecontroleerd door de Egyptische staat en is de best verkochte krant van Egypte.

Nu zijn samenzweringstheorieën in het Midden-Oosten van alle tijden. Maar wat opvalt in Egypte de laatste vijf, zes jaar is de enorme toename ervan, het enthousiasme waarmee alle media ze prominent uitdragen, en de mate waarin het aanslaat bij het publiek en het maatschappelijk middenveld. De laatste editie van het filmfestival van Alexandrië weigerde een inzending omdat de plot ging over een jodin. En de boekenbeurs van Kairo, het Arabische equivalent van de Frankfurter Buchmesse, had dit jaar als eregast Roger Garaudy, de internationaal beruchte en vervolgde ontkenner van de holocaust.

Zeker een decennium lang was de acteur Adel Imam met zijn komedies over corrupte moslimfundamentalisten en de incompetente overheid de lieveling van het Egyptische publiek. Maar nu is zijn plaats ingenomen door de veel jongere Mohammed Heneidy, die in zijn films Israëlische vlaggen verbrandt, T-shirts met de Amerikaanse vlag verscheurt, de holocaust bagatelliseert en eindeloos herhaalt dat er geen mooier land bestaat dan Egypte. Zelfs de Postbus 51-campagnes van de Egyptische overheid doen er aan mee. In een recent filmpje gaat een argeloze Egyptische jongen met een blonde Westerse een hotelkamer in. Als hij weer buiten staat, heeft hij aids.

Tijdbom

Al deze antisemitische agitatie, achtervolgingswaanzin en Westerlingenhaat gaan lijnrecht in tegen wat de Britse journalist en consultant Michael Field zeven jaar geleden in een invloedrijk boek voorspelde. In Inside the Arab World, ook vertaald in het Nederlands, schreef Field: ,,Politiek, economisch en cultureel was de Arabische wereld de afgelopen 70 jaar een mislukking. Maar nu is de Arabische wereld aan het veranderen, in de manier waarop het Israël ziet, het Westen en zichzelf.''

Fields boek trok veel aandacht omdat hij verwoordde wat een groeiend koor van optimisten dacht, namelijk dat de Arabische wereld aan het eind van de twintigste eeuw de democratische kant op zou gaan. Met het wegvallen van de Sovjet-Unie kon men niet meer steunen op economische en militaire hulp uit die hoek. De Golfoorlog had afgerekend met illusies over Arabische eenheid, en de vredesakkoorden van Oslo leken een einde van het conflict met Israël in te luiden en de deur open te zetten voor buitenlandse investeringen.

Die buitenlandse investeringen waren volgens Field cum suis bovendien meer dan ooit nodig, want de Arabische leiders zaten op een demografische tijdbom; de socialistische economieën die ze dertig jaar lang hadden gerund, waren in de verste verte niet in staat de miljoenen jaarlijkse nieuwkomers op de arbeidsmarkt op te vangen. Daarom moesten de Arabische leiders hun economie opengooien, en dat zou onvermijdelijk gepaard gaan met politieke liberalisering.

Het snoeien van subsidies op brood, stroom en benzine doet immers pijn, meenden de optimisten begin jaren negentig, en om die pijn te verzachten zullen de Arabische leiders wat terug moeten geven aan hun bevolking: inspraak en politieke vrijheid. Daarbij kwam nog de informatierevolutie die kennis van het Westen zou doen groeien, en het feit dat buitenlandse investeerders wegblijven zonder transparant bestuur, rechtszekerheid, en een vrije pers die corruptie en machtsmisbruik aan de kaak stelt. In zijn analyse gaf Field bijzondere aandacht aan Egypte, dat immers meer dan een kwart van het totaal aantal Arabieren herbergt, en voor de Arabische wereld is wat Hollywood voor de Westerse wereld is: het centrum van de massa-cultuur.

Wat betreft de bevolkingsexplosie hebben Field en zijn medestanders gelijk gekregen. Nog steeds komen er iedere negen maanden één miljoen Egyptenaren bij, die moeten leven op een bewoonbaar gebied ter grootte van Nederland. Maar wat de rest van zijn voorspellingen betreft, blijft er van `Inside the Arab World', en van het breed gedragen optimisme (`Het nieuwe Midden-Oosten') waaruit het boek voortkwam, weinig over.

De economie is inderdaad geliberaliseerd, maar slechts met mondjesmaat. De industrie wordt stukje bij beetje geprivatiseerd en de staat trekt zich enigszins terug. Maar de vorming van vak- en consumentenbonden wordt gesaboteerd – die kunnen immers politieke macht uitoefenen. Ook politieke oppositie wordt keihard onderdrukt, de moslimfundamentalisten verdwijnen met of zonder showproces in afschuwelijke gevangenissen en op activisten voor de rechten van de mens wordt door de media karaktermoord gepleegd.

Het resultaat is rauw kapitalisme, waarvan een kleine elite van schatrijke families en legergeneraals met connecties profiteert. Je merkt het aan de reclames op televisie. Vijftien jaar geleden werden hoofdzakelijk bulkgoederen als zeep, suiker en thee aan de man gebracht. Nu zijn er vooral reclames voor mobiele telefoons, vakantiehuisjes aan de Middellandse en Rode Zee, dure auto's, computers en shoppingmalls – speeltjes voor die paar miljoen heel erg rijke Egyptenaren die nu de markt beheersen. De rest van de bevolking kijkt mee en moddert verder; 26 miljoen Egyptenaren moeten rondkomen van één dollar of minder per dag.

Horror

Er zou op dit moment een `groep van 12' zijn, bestaande uit vertegenwoordigers van Egyptes machtigste industriëlen en families, die beurtelings iedere maand een miljoen dollar overmaken naar een geheime rekening van president Mubarak. In ruil daarvoor krijgen ze voor een schijntje lappen kostbaar land aan de kust en rond Kairo.

Is dit waar? Het verhaal komt van een van de Arabische diplomaten, die in het algemeen zowel bekend staan om hun goede bronnen als om hun rijke fantasie. Maar het probleem met dit gerucht en de tientallen andere over corruptie en machtsmisbruik, is dat niemand het kan controleren want het Egyptische regime houdt de boeken gesloten.

En de pers? De pers, zowel van staatswege als de semi-onafhankelijke, brengt veel liever horrorverhalen over de seksuele moraal in het Westen, over de Gay Games (,,Die onfortuinlijke misbaksels'', noemde The Egyptian Gazette de deelnemers in Amsterdam), over joodse samenzweringen en over het grootse werk dat president Mubarak voor de natie verricht. Het nieuwe gebouw van de door het regime gecontroleerde journalistenvakbond wordt gebouwd door het aannemersbedrijf van het Egyptische leger. Gratis.

Dit lijkt dan ook de `oplossing' van het Egyptische regime te zijn voor het dilemma dat Field schetste. Inderdaad doet de economische liberalisering pijn, en inderdaad moest het regime op zoek naar een nieuwe bron van legitimiteit. Maar die legitimiteit is niet gevonden in een vergroting van de inspraak en dus betrokkenheid van de bevolking. Het regime heeft een externe vijand van stal gehaald; Israël en het Westen willen `ons' onderwerpen, dus kan Egypte zich geen politieke experimenten veroorloven. Een vestingmentaliteit als surrogaat voor democratie. De media niet als waakhond van de democratie, maar juist als cipier, beul en pleitbezorger van de dictatuur.

In dit beeld past ook de voor Egyptische begrippen ongekende persoonsverheerlijking van president Mubarak. Vertrouwd is dat de opening van de staatskranten en van het televisie- en radionieuws twee vaste woorden bevat: President Mubarak. Bijvoorbeeld `President Mubarak: de belangen van de modale Egyptenaar staan bij mij voorop' en `Rol president Mubarak in vredesproces geprezen' of `President Mubarak: bezoek van koning Abdallah heeft uitstekende relaties met Jordanië nog beter gemaakt'.

Maar nieuw is de uiterst serieus gepresenteerde verkiezing van Mubarak tot `man van de eeuw', het eerste standbeeld voor Mubarak (in de badplaats Sharm el-Sheikh), de ruime aandacht voor zijn zonen en de grote borden in Kairo met daarop `Ja! Hosni Mubarak'. Ook de lofzangen van paladijnen zoals de hoofdredacteur van de krant al-Gumhuriyya, Samir Ragab, gaan verder dan ooit. In september vorig jaar hield Egypte een referendum over de vierde presidentstermijn van Mubarak. Dat er geen tegenkandidaten waren, vond Ragab logisch: het referendum wilde de Egyptenaren een kans bieden om hun dankbaarheid aan Mubarak uit te drukken.

Op de dag van het referendum beschreef Ragab deze anekdote, die hij met eigen ogen zou hebben gezien: een Egyptenaar was al jaren bezig een visum voor Saoedi-Arabië te bemachtigen, om daar z'n fortuin te maken. Op de dag van het referendum, kwam het papiertje. Maar toen besefte de Egyptenaar hoeveel Mubarak van zijn volk houdt, en zijn volk van hem, en verscheurde hij ,,midden op straat'' het visum: nooit zou hij z'n land verlaten. Wat boffen de Egyptenaren toch met Hosni Mubarak, schrijven de Egyptische commentatoren, want anders zouden vijanden als Israël en het Westen ons allang hebben onderworpen.

Agitatie

Uiteraard speelt hierbij mee dat Israël zich de afgelopen vijf jaar in Arabische ogen een hoogst onbetrouwbare `vredespartner' heeft betoond. Een deel van de vredesakkoorden van Oslo is acht jaar na ondertekening nog steeds niet uitgevoerd, de bouw van joodse nederzettingen in bezet gebied gaat nog altijd door en het geweld waarin Israël sinds een half jaar probeert de Palestijnse intifada te smoren, heeft ook elders in de wereld tot scherpe veroordelingen geleid. De Arabische publieke opinie is diep verontwaardigd dat de Verenigde Staten en Europa Israël niet simpelweg dwingen tot terugtrekking uit alle bezette gebieden, waarmee het conflict volgens de Arabieren ten einde zou zijn.

Maar toch kan de opgelaaide agitatie tegen Israël niet alleen hieraan worden toegeschreven. Het Egyptische regime is namelijk absoluut niet uit op confrontatie met Israël, eerder het tegendeel. In de herfst van vorig jaar was de intifada op zijn hoogtepunt. Precies op dat moment tekende Egypte een overeenkomst met Israël voor de verkoop van aardgas; het was het grootste contract ooit tussen Israël en een Arabisch land. En ook nu nog bezoeken Israëlische landbouwdelegaties, in alle discretie, de Nijlvallei.

,,Het is voor een deel stoom afblazen over een situatie in de Palestijnse gebieden die de Egyptenaren hoogst onrechtvaardig vinden, maar waaraan ze weinig kunnen veranderen'', zegt een Westerse diplomaat in Kairo. ,,Maar de agitatie dient ook een binnenlands doel, het sluiten van de rijen.''

En deze opzet lijkt geslaagd, gezien het kijk- en luistergedrag van de Egyptenaren en hun beslissingen bij de krantenkiosk. Want Egypte is weliswaar een dictatuur met van bovenaf gecontroleerde staatsmedia, maar het informatiemonopolie is aanmerkelijk minder absoluut dan in fascistische politiestaten in de regio als Libië, Syrië en Irak. Internet is in Egypte vrij, de Arabische afdeling van de BBC Worldservice is met iedere autoradio kraakhelder te ontvangen, de redelijk onafhankelijke, in Londen verschijnende Arabische pers is er vrij te verkrijgen en satellietschotels zijn legaal en inmiddels zo betaalbaar dat ze ook in de sloppenwijken meer en meer daken tooien.

Daarmee kunnen de Egyptenaren iedere dag kiezen tussen de redelijk neutrale kranten, websites, radio- en televisieprogramma's van elders, en de staatsmedia. En de Egyptenaren kiezen massaal de productie van eigen grond, of voor niet-politiek amusement. In de internetcafés surft men naar sport, seks en chatrooms, en uit het beperkt beschikbare kijkonderzoek blijkt dat de onafhankelijke pan-Arabische nieuwszender al-Djeziera het moet afleggen tegen de in sport, films of muziek gespecialiseerde kanalen. Iedere ochtend kopen miljoenen Egyptenaren de krant, en hooguit vijf procent van hen kiest dan voor onafhankelijke kranten uit Londen.

Dat is ook het antwoord waarom er weinig kans is op een revolutie in Egypte, hoezeer de economie ook in de diepste recessie sinds tien jaar zit en de Egyptenaren met eigen ogen kunnen zien hoe de elite zich verrijkt: het merendeel van de bevolking meent dat het huidige regime het minste is van alle kwaden. Mubarak is niet perfect of zelfs een corrupte boef, zeggen de Egyptenaren, maar wat buiten de grenzen ligt te wachten om ons militair, economisch of cultureel te onderwerpen, is nog véél erger.

Dit is de laatste bijdrage van corres- pondent Joris Luyendijk uit Egypte.

Zijn nieuwe standplaats is Libanon.