`Hier is de tijd, waar is de man?'

In de archieven van het Meertens Instituut liggen 30 duizend volksverhalen. Daarvan zijn er inmiddels 13 duizend digitaal ontsloten. Deze maand verschijnt een teksteditie van een belangrijke deelcollectie: de vijfhonderd verhalen die Cornelis Bakker rond 1900 in Waterland optekende.

Toen de media rond de jaarwisseling berichtten over een wolf in Zeeuws-Vlaanderen, wist Theo Meder dat het hier een moderne sage betrof van het type BRUN 02430: `Big cats running wild'. De code verwijst naar het werk van de Amerikaanse onderzoeker J.H. Brunvand die in de jaren tachtig en negentig moderne sagen verzamelde en catalogiseerde. ``Het verhaal over een loslopend wild beest duikt ook in Nederland regelmatig op'', zegt Meder. ``We hadden een leeuwin in de duinen van Egmond, een poema in Limburg en een leeuw in het Zeisterbos. Die beesten zijn allemaal niet gevonden.'' De Zeeuws-Vlaamse wolf verdween ook in het niets. Het verhaal wil dat het beest clandestien werd afgeschoten en begraven.

Meder is volksverhalen-onderzoeker bij het Meertens Instituut. Hij haalt regelmatig moderne sagen uit de kranten. Dergelijke verhalen of geruchten worden ook wel contemporary legends of urban legends genoemd. Een van Meders favorieten is het gerucht over kinderen die in Eurodisney ontvoerd zouden worden: ``Die kinderen worden dronken gevoerd of gedrogeerd. Vervolgens worden hun blonde haartjes geknipt en zwartgeverfd, hun gezicht wordt bruin geschminkt en zo worden ze het attractiepark uitgesmokkeld. Ze verdwijnen in het kinderpornocircuit of in de organenhandel.'' Moderne thema's als drugs, kinderporno en organenroof hebben zich in deze moderne sage mooi vermengd met klassieke thema's: kinderlokkers, kinderroof, xenofobie. ``In oude sagen worden de kinderen vaak door zigeuners ontvoerd. Dat vind je hier nog terug in die geschminkte gezichten en zwartgeverfde haren. Gesuggereerd wordt dat de ontvoerders donkere mensen zijn en dat de kinderen op hen moeten lijken, zodat ze het attractiepark kunnen worden uitgesmokkeld.''

In 1998 wijdde de Volkskrant een hele pagina aan de kinderontvoeringen in Eurodisney. De redactie moest een week later erkennen dat het een broodje-aap-verhaal was, door een freelancer verzonnen en verkocht aan de krant. Niettemin dook het gerucht een half jaar later weer op in De Efteling. Theo Meder identificeert het als een moderne sage van het type BRUN 6300B: `The attempted Abduction'. Alle krantenberichten over deze zaak heeft hij daarom opgenomen in de Elektronische Volksverhalenbank van het Meertens Instituut, een digitaal archief dat 13 duizend mondeling overgeleverde verhalen en anekdotes omvat. In de archieven van het instituut liggen nog 17 duizend andere verhalen te wachten op digitalisering.

Van een van de belangrijkste deelcollecties, die van verhalenverzamelaar Cornelis Bakker (1863-1933), verschijnt deze maand een becommentarieerde en geannoteerde teksteditie: Vertelcultuur in Waterland. De volksverhalen uit de collectie Bakker. ``Bakker was de eerste die echt uit de volksmond optekende'', vertelt Meder. ``Dat deden zelfs de gebroeders Grimm niet. Die baseerden zich op brieven van mensen die zich nog verhalen van vroeger herinnerden.'' De Grimms wilden uit die volksverhalen de Duitse `volksziel' destilleren. Ook de verzamelaars na hen werden vaak gedreven door nationaal of regionaal chauvinisme. Bakker was wat dit betreft een uitzondering. Nergens in zijn aantekeningen en brieven is iets van regionaal chauvinisme te bespeuren. ``Maar'', relativeert Meder, ``dat speelde natuurlijk ook niet in Holland. De Hollandse cultuur was al dominant.''

Bakker was plattelandsarts in Waterland, het landelijke gebied tussen Amsterdam en Monnickendam. In de verloren uurtjes van zijn praktijk probeerde hij de plaatselijke bevolking verhalen te ontlokken. Als hij zich per roeiboot naar een van de gehuchten begaf, wat in Waterland vrij gebruikelijk was, hoorde hij zijn roeiers uitvoerig uit. En als een bevalling op zich liet wachten, doodden de huisarts en de toekomstige vader de tijd met oude verhalen.Bakker noteerde de verhalen min of meer zoals hij ze hoorde, vaak in dialect, en stuurde ze op naar de volksverhalenverzamelaar Boekenoogen. Die publiceerde ze soms in een bewerkte, literaire vorm. In de teksteditie die nu verschijnt, zijn de vijfhonderd verhalen die Bakker verzameld heeft, opgenomen in de ruwe vorm waarin hij ze heeft opgeschreven. Die benadert de orale stijl van de Waterlanders. Sommige verhalen beslaan verscheidene bladzijden, andere zijn niet meer dan bijgelovige anekdotes van een paar regels.

Aan bijgeloof geen gebrek in het Waterland van rond 1900. Men zag 's nachts grote honden met vurige ogen, en men geloofde in ``de stem uit het water'', die met de onheilspellende woorden ``Hier is de tijd, waar is de man?'' een dodelijk ongeval aankondigde. Maar bovenal geloofde men in `kollen': heksen die konden uittreden en zich 's nachts via het lichaam van een kat, een kip of een bromvlieg konden verplaatsen. ``Het verbaasde me dat dat geloof rond 1900 nog zo sterk was'', zegt Theo Meder. ``Dat sommige mensen er zo in geloofden dat ze, bij ziekte door hekserij, ook de bijbehorende afweer deden: ze stopten een levende kip in de pan en kookten hem zonder water. Dat beest moet ontzettend geschreeuwd hebben, en het moet ook vreselijk gestonken hebben. Het was een soort `sympathetische magie': de kol zou dan ook schreeuwen en brandblaren krijgen, ze zou zo snel mogelijk naar dat huis komen, om te zorgen dat het ophield, en zo kon men achterhalen wie de kol was. Daarna kon men eisen dat de patiënt via een bepaald ritueel ontkold werd.''

De traditionele sagen speelden, net als de moderne, in op fundamentele angsten. Meder: ``Het ging vooral over die aspecten van het leven waarop de gewone sterveling nauwelijks invloed kan uitoefenen: vruchtbaarheid, geboorte, ziekte en dood.'' Bakker sprak ook mensen die de verhalen nog wel vertelden, maar er niet meer in geloofden. Voor hen waren het griezelverhalen geworden, en ze gaven er soms een komische wending aan. Het verhaal over de stem uit het water krijgt, in een van de vele versies, een oneerbiedige, grappige wending: de dominee wordt erop afgestuurd om het onheil te bezweren, en dan blijkt juist hij de man te zijn die door het noodlot wordt opgeëist. En als, in een ander verhaal, het spookdier met de vurige ogen weer eens verschijnt, gaat het hele dorp erop af, terwijl ze roepen: `Indien gij een geest Gods zijt, kom dan nader, maar zijt gij des duivels, zoo ga heen!' Dan blijkt het gewoon een ontsnapte geit te zijn.

Al deze sagen werden verteld met een mengeling van geloof en ongeloof, van ernst en plezier, van afkeer en bewondering. En dat is bij de moderne sagen niet anders. Alleen zijn de angsten verschoven. Tegenwoordig zijn het vooral de moderne technologie (straling, voedsel, sabotage) en de hardere vormen van criminaliteit (organenroof, kinderporno, seriemoordenaars) die als ongrijpbaar en angstaanjagend worden voorgesteld. De setting is mee-veranderd: de verhalen spelen zich nu af langs snelwegen, in liften, snackbars en discotheken. Uiteraard zijn er ook al moderne sagen gesignaleerd die zich op het internet afspelen. Meder: ``Er zou bijvoorbeeld een geheime site bestaan waarop een foto te zien is van een uiteengereten baby die door een man wordt opgegeten.''

Bakker kwam in Waterland nog opvallend veel sprookjes tegen. Dat waren niet de kindersprookjes die we nu nog kennen, maar sprookjes zoals volwassenen die onder elkaar vertellen, zoals `novellesprookjes', waarin de hoofdpersoon een aantal spannende avonturen beleeft en daardoor gelouterd wordt. Ook werden er veel sprookjes verteld over rovers, waarin naar hartelust geroofd en gemoord wordt. Dit alles gebeurt in een realistische en directe verhaalstijl, die, aldus Meder, wel eens typerend zou kunnen zijn voor Noord-Nederland.

Bakker noteerde ook drie versies van het sprookje dat in het internationale onderzoek bekend staat als AT 0720: `My Mother Slew me, My father Ate Me': een wreed sprookje over een jongetje dat door zijn moeder vermoord en in stukken gehakt wordt. De moeder kookt soep van hem en de rest van het gezin eet die soep nietsvermoedend op. Later verschijnt het dode jongetje in de vorm van een vogeltje en zingt het een liedje over moord en kannibalisme: `Mijn moeder heeft me geslacht, mijn vader heeft me gegeten, en mijn zusje heeft mijn beentjes, onder den lindeboom gesmeten.'

Rond 1900 geloofde men dat dergelijke sprookjes een relict waren van een oude, pre-christelijke cultuur. De pratende dieren zouden een overblijfsel zijn van animisme. Daarnaast zouden de sprookjes verwijzen naar vroegere kannibalistische rituelen: denk maar aan de stiefmoeder die de lever en de longen van Sneeuwwitje wil opeten, aan de menseneters en de reus die zegt: `Ik ruik mensenvlees'. Later deed de psychoanalyse zijn intrede en werd de verklaring voor al deze bizarre elementen gezocht in het `onderbewustzijn'. Met die benadering heeft Theo Meder weinig op: ``Alles wordt teruggebracht tot onderdrukte gevoelens, seks en geweld. Het schoentje van Assepoester is dan een vagina. Als Sneeuwwitje in het huisje van de zeven dwergen komt, zou dat een ontmaagdingsritueel zijn, waarbij de zeven dwergen de fallus symboliseren. Dat gaat mij veel te ver. Alles wat rechtop staat of omhoog gaat is dan een fallus en alles waar een opening in zit een vagina.''

Vanaf het begin van de twintigste eeuw raakten de onderzoekers ook geïnteresseerd in de geografische verspreiding van de verhalen. Ze vergeleken versies uit verschillende landen met elkaar en probeerden daaruit de `oerversie' te reconstrueren. Dat idee is ook allang weer verlaten, maar van de typencatalogi die indertijd werden samengesteld, wordt nog steeds dankbaar gebruik gemaakt. De bekendste is die van Aarne en Thompson uit 1964, waarin alle toen bekende sprookjestypen worden opgesomd en voorzien van een code die begint met de letters AT. Voor de oude sagen wordt de codering van Sinninghe gebruikt, en voor de moderne sagen zijn er, zoals gezegd, de overzichten van Brunvand. Zo kunnen veel verhalen gedetermineerd worden. Met behulp van deze codes kunnen de verschillende varianten gemakkelijk met elkaar vergeleken worden.

In het moderne volksverhalenonderzoek wordt niet meer gespeurd naar diep verborgen betekenissen. Wie daar naar op zoek is, wordt door Meder resoluut doorverwezen naar de esoterische boekhandel. ``De betekenis van sprookjes is helemaal niet zo geheimzinnig'', vindt hij. ``Er zit altijd een duidelijke ontwikkeling in het verhaal. De domste gaat op reis en wordt slim. Een jonge held beleeft allerlei avonturen en wordt volwassen.''

De betekenis van de verhalen verandert voortdurend, wordt steeds aangepast aan de smaak van vertellers en publiek. Daarom kijkt de hedendaagse onderzoeker ook naar de context waarin het verhaal verteld wordt, en naar de identiteit van de verteller. Hij probeert het volksverhaal uit de anonimiteit te halen. Meder: ``Tenslotte is het verhaal niet alleen een betekenisdrager, maar ook een kunstvorm, een verbal art.''

Door deze `contextualisering' wordt de betekenis van een verhaal vaak duidelijker. Zo ging een collega van Meder drie jaar geleden op expeditie met een groepje fanatieke zeevissers, om te onderzoeken hoe hun sterke verhalen fungeerden binnen het sociale ritueel van de zeevisserij. Het klassieke sprookje van de hoogmoedige vrouw die haar ring in zee gooit, waarna de ring later terugkeert in de buik van een gevangen vis, was door de zeevissers gerecycled tot een sterk verhaal: het kunstgebit van een van de vissers valt zogenaamd in zee, en tijdens de volgende vis-expeditie vinden ze het gebit terug in de buik van een kabeljauw. De oorspronkelijke, moraliserende betekenis is helemaal verdwenen, ten gunste van een nieuwe, sociaal-rituele betekenis: met het sterke verhaal, dat soms ook als practical joke in scène wordt gezet, houden de `echte' zeevissers de buitenstaanders voor de gek en versterken ze hun groepsgevoel.

Bij de collectie Bakker heeft Meder ook veel moeite gedaan om te reconstrueren welk verhaal door wie verteld wordt en wat de achtergrond was van de verschillende vertellers.

Er zijn bijgelovige en ironische vertellers, die met hetzelfde materiaal heel andere dingen doen. Er blijkt ook één meesterverteller te zijn: de boer Dirk Schuurman, die maar liefst honderd verhalen levert, waaronder de enige in Nederland opgetekende versie van AT 901: `The Taming of The Shrew'.

De traditionele opvatting dat de vertelcultuur verdwijnt en dat de echte vertellers daarom gezocht moeten worden in kleine, gesloten gemeenschappen, wordt door de feiten gelogenstraft: in Waterland beschikten juist de mensen die vaak in Amsterdam en Purmerend kwamen, over het beste en grootste repertoire.

``Er zijn overal verhalen'', zegt Meder. ``Als je maar zoekt. Natuurlijk verdwijnen er sprookjes, maar er komt altijd weer iets voor in de plaats, zoals urban legends en moppen.'' Een recent onderzoek in de Utrechtse wijk Lombok bevestigt dat beeld. Het was voor het eerst dat het Meertens Instituut op zoek ging in de stad, en men koos daarbij voor een multi-etnische buurt. Niet alleen de Nederlanders, maar ook de Marokkanen, Turken en Surinamers werden daar aan de tand gevoeld. Dat resulteerde in een bonte verzameling teksten, waaronder bijvoorbeeld de Marokkaanse versie van Ali Baba. Meder: ``Die jongen vertelt het echt als een moslim. Het gaat over een man, die zo arm is dat hij geen schaap kan kopen voor het Offerfeest. Hij gaat naar zijn rijke broer, maar die geeft hem alleen het slachtafval. De man schaamt zich, hij gaat op reis en zegt: ik kom niet terug voordat ik een schaap gevonden heb.En dan krijg je dat hele Ali Baba-verhaal met Sesam Open U, etcetera.'' In de collectie Bakker komt hetzelfde sprookje (AT 676: `Open Sesame') ook voor, maar de personages en het decor zijn daar geheel Waterlands: Ali Baba is een Hollandse kleermaker geworden, en de rovers verdwijnen niet in een grot, maar in een holle boom.

In de nabije toekomst wil Meder ook in De Bijlmer verhalen gaan verzamelen. Daarnaast speelt hij met de gedachte om deze zomer, als het graan weer hoog staat, de vertelcultuur rondom de graancirkels op te tekenen. ``De ochtend dat het in de krant staat meteen afreizen en iedereen die erop afkomt interviewen.'' Voor alle duidelijkheid: Meder gelooft niet in een bovennatuurlijke verklaring. ``Ik zie het als een vorm van graffiti. Eerst had je die cirkels, daarna kreeg je in Engeland die pictogrammen en vervolgens gingen ze hier ook pictogrammen maken. Daar komen een hele hoop dagjesmensen op af, onder wie mensen die er graag een boodschap in willen zien: een boodschap van Moeder Aarde, of ufo's die ons iets komen vertellen. Zo maakt iedereen er zijn eigen verhaal van.''

Theo Meder: Vertelcultuur in Waterland. De volksverhalen uit de collectie Bakker. 574 pag. Prijs: ƒ69,90. 2001, Amsterdam: Stichting beheer IISG. ISBN: 90 6861 205 0.

Theo Meder & Marie van Dijk: Doe open Zimzim. Verhalen en liedjes uit de Utrechtse wijk Lombok. 268 pag. Prijs: ƒ39,50. 2000, Amsterdam: Stichting beheer IISG. ISBN: 90 6861 204 2.

    • Berthold van Maris