HET PUBLIEK

Wie in Nederland naar een honkbalwedstrijd gaat waant zich in klein Amerika. Strike, ball, out, pitcher, catcher, foul, steel, infield, outfield, dug-out, come on!, play ball! De spelers, coaches, scheidsrechters en zelfs de toeschouwers op de houten tribunes achter de backstop drukken zich zonder enige gêne uit in het Engels. De liefhebbers hebben het dan ook niet over honkbal, maar spreken liever over baseball. De fascinatie voor de sport wordt doorgaans overgegeven van vader op zoon (vrouwen spelen geen honkbal, maar softbal).

Tribunes zijn dan ook met name bevolkt met `baseballfamilies'. De club is van april tot september in het weekeinde hun thuis. Ieder lid van het gezin heeft zijn eigen plaatsje binnen de club. Achter de bar, op het veld, langs de lijn of in het bestuur. En allemaal als aandachtig toeschouwer van het eerste team. Pijpje bier in de mond, patatje met mayonaise in de hand en de onvermijdelijke baseballcap op het hoofd. Kijken naar het gevecht tussen de pitcher en de batter. De pitcher probeert te misleiden door hard te gooien, zacht te gooien, met een boogje te werpen of expres te hoog of te laag te mikken. De batter wil slechts de bal zo ver mogelijk buiten het bereik van de tegenstander rammen. De ultieme kick is de homerun. Over de hekken. Weg. `Nice hit, well done', klinkt het dan in de Nederlandse honkbalsteden als Den Haag, Bussum of Rotterdam.

Aflevering 27 in een serie over publiek.