Duisenberg is er niet alleen voor de inflatie

De Europese Centrale Bank moet niet alleen letten op prijsstabiliteit maar ook haar tweede doelstelling – bevordering van duurzame groei – serieus nemen, vindt Alman Metten.

Melvin Krauss vergelijkt het beleid van de Europese Centrale Bank met dat van de Amerikaanse Federal Reserve (Fed), en concludeert dat het grote verschil tussen beide is dat de ECB de economische cyclus niet hoeft te beïnvloeden. (Opiniepagina, 18 april). Jammer dat hij het Verdrag van Maastricht niet kent, en zich door de ECB laat misleiden. En spijtig dat deze krant blijkens haar hoofdredactioneel commentaar donderdag Krauss bijna letterlijk volgt.

Want het Verdrag van Maastricht (artikel 105.1) is helder: zonder de doelstelling van prijsstabiliteit in gevaar te brengen, moet de ECB wel degelijk het economisch beleid ondersteunen, en dus zo nodig de economische groei bevorderen. Deze tweede, weliswaar secondaire, doelstelling probeert de ECB echter voortdurend te bagatelliseren en belachelijk te maken.

Zo herhaalde Duisenberg tijdens een hoorzitting van het Europese parlement op 5 maart de beleidslijn die sinds het ECB-maandbericht van januari 1999 is uitgedragen: ,,het handhaven van prijsstabiliteit (...) [is] de beste bijdrage (...) die monetair beleid kan maken aan een periode van duurzame economische groei''. En nog sterker geformuleerd: ,,(...) u kunt en mag van ons niet verwachten dat we meer doen dan wat we doen, namelijk prijsstabiliteit handhaven, daardoor de best mogelijke condities scheppend voor economische groei.''

De verschillen in macro-economische doelstellingen tussen ECB en Fed zijn dus veel geringer dan Krauss denkt. Er zijn echter andere verschillen die wel het verschil in beleid verklaren. De inflatiedoelstelling die de ECB zelf heeft gekozen, is bijvorbeeld zo streng, dat geen enkele andere centrale bank zich daarmee kan meten. De Fed daarentegen heeft niet eens een inflatiedoelstelling, met het gevolg dat zij ondanks een inflatie van 3,5 procent moeiteloos de rente viermaal een half procent omlaag brengt binnen een tijdsbestek van vier maanden. Ter vergelijking: de inflatie in de eurozone is 2,6 procent, boven het ECB-plafond van 2 procent. Dat de ECB op deze overschrijding van het plafond niet gereageerd heeft met een renteverhoging, hebben we te danken aan de achterdeurtjes die in de doelstelling zaten: de bovengrens van 2 procent is een jaargemiddelde en moet op middellange termijn gerealiseerd worden – het gaat dus om de toekomstige inflatie.

Dat de ECB het zelf ook benauwd begon te krijgen met haar te strenge doelstelling, bewezen de proefballonnetjes die vorig jaar opgelaten werden of niet de lagere kerninflatie, dus zonder de volatiele voedsel- en energieprijzen, als norm gehanteerd moest worden. Dat de ECB sinds oktober vorig jaar geen rentestap meer heeft gezet, terwijl de vooruitzichten sindsdien zodanig verslechterd zijn dat alle andere onafhankelijke centrale banken inmiddels één of meer keren de rente verlaagd hebben, mag niet aan haar `sang froid' toegeschreven worden. Het is passiviteit die de ECB verdedigt met de stelling dat de trendmatige groei in de eurozone slechts 2,5 procent is. En omdat de groei in de eurozone in de meeste voorspellingen hier nog boven blijft, kan zij afwachten, want met een renteverlaging zou ze de groei tot boven haar geschatte potentie opstuwen. Zo levert een conservatieve schatting van het groeipotentieel de ECB een prachtexcuus om niets te doen.

Toch kwamen vlak voor de maart-vergadering van de ECB publieke signalen van leden van de directie van de ECB en van de president van de Banque de France, Trichet, dat de rente omlaag zou gaan. Dat een renteverlaging toch uitbleef had waarschijnlijk alles te maken met de decentrale besluitvormingsstructuur van de ECB, waarin de twaalf presidenten van nationale centrale banken de zes directieleden moeiteloos kunnen overstemmen. In de Fed echter heeft Greenspan met zijn directie de meerderheid, waardoor snel tot besluiten kan worden gekomen.

Dat Duisenberg van het begin af aan voor besluitvorming bij consensus en niet bij stemming heeft gekozen, is begrijpelijk. De prijs die daarvoor betaald wordt is echter dat een kleine, vasthoudende minderheid een renteverlaging tegen kan houden. Dat is waarschijnlijk ook wat gebeurd is. Als vervolgens een storm van kritiek losbarst, zoals bij het uitblijven van de renteverlaging gebeurde, sluiten de rijen zich. Maar om nu voor het resultaat (`you keep on waiting and we keep on seeing', in de spottende woorden van Duisenberg) reclame te maken, daarin gaat Krauss te ver.

De ECB moet haar tweede wettelijk opgelegde beleidsdoelstelling, het bevorderen van duurzame groei, serieus nemen. Zij moet daartoe haar te strikte inflatiedoelstelling aanpassen, wat zij zelf zonder wetswijziging kan, en de macht van haar centrale directie moet vergroot worden (daarvoor is wel een wetswijziging nodig), opdat zij daadkrachtiger op kan treden. Daarbij hoeft zij niet meteen zover te gaan in activistisch beleid als de Fed. Als zij haar huidige positie als drager van de rode lantaarn kan verlaten en aansluiting krijgt bij het peloton van andere onafhankelijke centrale banken, zou het al een hele vooruitgang zijn.

Alman Metten is oud lid van het Europees Parlement en leidt nu het economisch adviesburo Metten EU Consulting bv.