De priester, de joden en de brandende schuur

Waren de Polen medeplichtig aan de jodenvervolging in hun eigen land? Zelf geven ze liever de schuld aan de Duitse bezetter. De verschijning van het boek `Buren', over de moord op honderden joden in het dorp Jedwabne, heeft het debat doen ontbranden. `Ik wil niet dat onze kinderen zich de kinderen van moordenaars voelen.'

Op 10 juli 1941 werd nagenoeg de hele joodse bevolking van het Oost-Poolse stadje Jedwabne op gruwelijke wijze uitgemoord. Zestienhonderd joden werden door hun Poolse buren levend verbrand in een boerenschuur. Slechts zeven van hen wisten te ontsnappen.

Onder hen was Szmul Waserstajn. Hij dook onder in een nabijgelegen dorp. Meteen na de oorlog legde hij tegenover de Poolse autoriteiten een gedetailleerde verklaring af over de massamoord: `Niemand kon ontsnappen. De hele stad was afgegrendeld door bewakers. De joden moesten zich opstellen in rijen van vier. De negentigjarige rabbijn en de kosjere slager voorop. Ze moesten een rood vaandel dragen en zingen. Zo werden ze de schuur ingejaagd. Onderweg werden ze door straatjongens gruwelijk in elkaar geslagen. Bij de ingang van de schuur stonden een paar van die straatjongens muziek te maken om het geschreeuw van de slachtoffers te overstemmen. Sommige joden probeerden zich tevergeefs te verdedigen. Bebloed en gewond werden ze in de schuur gedreven. Toen werd de schuur met petroleum overgoten en aangestoken. Joodse huizen werden doorzocht op zoek naar achtergebleven kinderen en zieken. De zieken werden ook naar de schuur gedragen. De kleine kinderen werden met de voeten aan elkaar gebonden. Een paar tegelijk. Ze werden over de schouder genomen. Bij de schuur werden ze met hooivorken op de brandende resten gegooid.'

De verklaring van Waserstajn bleef jaren lang in een la liggen van het Joods Historisch Instituut in Warschau. De moord werd aan de Duitse bezetter toegeschreven – de dorpelingen zouden onder dwang hebben gehandeld – en daar hadden de Poolse historici vrede mee. Ze vonden het verhaal van Waserstajn te onwaarschijnlijk. Tijdens het communisme was de officiële visie dat de Polen slachtoffers waren van de Tweede Wereldoorlog, net als de joden. Er waren op Pools grondgebied immers niet alleen drie miljoen joden omgebracht door de nazi's, maar ook drie miljoen Polen.

Ook de historicus Jan Tomasz Gross twijfelde aanvankelijk aan het verhaal van Waserstajn. In een café in Warschau vertelt hij hoe hij van mening veranderde: ,,Twee jaar geleden zag ik documentairemateriaal van de cineaste Agnieszka Arnold over Jedwabne. Daarin zegt de dochter van de eigenaar van de schuur op een bepaald moment: hier stond de schuur waar de joden zijn verbrand. Pas toen begreep ik dat Waserstajn een letterlijk verslag had gedaan.''

Gross ging onmiddellijk met het onderwerp aan de slag. Hij schreef er een boek over, Buren, waarvan vorige zomer de Poolse versie verscheen en deze maand de Engelse. Buren is het eerste boek dat de Polen beschuldigt van medeplichtigheid aan de jodenvervolging.

Daarmee is het nationale debat over de eigen rol tijdens de Tweede Wereldoorlog, met een halve eeuw vertraging, in alle hevigheid losgebarsten. President Aleksander Kwasniewski heeft de gedachte van collectieve schuld onmiddellijk overgenomen en wil op 10 juli ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de moord naar Jedwabne reizen om namens het Poolse volk vergiffenis te vragen voor het Poolse aandeel in de jodenvervolging.

Onder leiding van de historicus Tomasz Strzembosz is inmiddels de tegenaanval ingezet. Hij weigert de slachtofferrol van het Poolse volk te nuanceren en onderstreept de samenwerking van de joden met de Russische bezetter. De rooms-katholieke kerk wil evenmin iets weten van enige collectieve schuld, maar heeft wel begin dit jaar erkend dat niet de Duitsers de joden van het stadje vermoordden, zoals de officiële lezing altijd was geweest, maar de Polen zelf. Wat Jedwabne betreft houdt de nationale kerk het op een `exces bedreven door een paar plaatselijke boeven'. Intussen werkt het Poolse instituut voor oorlogsdocumentatie IPN in opdracht van de regering aan een onafhankelijk onderzoek naar de toedracht.

Niemand kan meer om het onderwerp heen. Ieder nieuw document dat boven water komt, ieder archiefstuk, iedere verdere stap in het onderzoek is groot nieuws in Polen. De slachtoffermythe waarmee opeenvolgende Poolse generaties zijn opgegroeid, staat plotseling ter discussie. Het land begeeft zich massaal in zelfonderzoek.

Behalve in Jedwabne zelf. Daar lijkt de tijd stil te staan. De inwoners praten liever over de joden die terug zouden willen komen om hun eigendommen te claimen, over dreigende eisen tot schadeloosstelling, over buitenlands kapitaal dat de Poolse boeren in één klap van de kaart zal vegen. Over het eigen verleden blijft het angstig stil. Onder leiding van de plaatselijke priester heeft de bevolking de boze wereld de rug toegekeerd.

Kille blik

Jedwabne is een stadje dat niet veel groter is dan een dorp. Een rechthoekig plein met aan de kop een grote witte kerk, vormt het centrum. Langs de lange zijden van het plein staan oude, deels scheefgezakte huizen. Bij de plaatselijke kroeg hangen wat mannen van middelbare leeftijd rond. Even verderop staat wat jeugd. Bezoekers worden getrakteerd op een kille blik. Bevroren gestaltes blijven staren tot de indringer weer verdwenen is.

Vader Edward Orlowski is één van de weinigen die willen praten. Het is druk in de parochie vlak voor Pasen. Iedereen wil biechten. Nee, niet over de gebeurtenissen rond 10 juli 1941. ,,En als dat wel het geval was, zou ik dat u niet vertellen. Maar ik kan u met zekerheid zeggen dat het nog nooit aan de orde is geweest.'' Orlowski is een trotse nationalist die bij gemeenteleden een willig oor vindt voor zijn rechtse retoriek. Toch ziet hij zichzelf noch Jedwabne als antisemitisch. ,,Voor de oorlog had je hier de beste betrekkingen tussen joden en Polen. De kinderen zaten op de gemengde school in dezelfde schoolbanken, aten van hetzelfde brood en speelden voetbal met elkaar.'' De idylle hield volgens de spraakzame priester aan tot de Russen in 1939 kwamen. Hitler en Stalin hadden een niet-aanvalsverdrag gesloten en het Rode Leger mocht het oosten van Polen bezetten. Toen hebben de joden het volgens Orlowski voor zichzelf `verpest' doordat ze de Polen verraadden en ,,zelfs meehielpen met het begeleiden van deportaties van de Poolse bevolking naar Siberië''.

Maar daarom hebben de Polen de joden nog niet verbrand, meent de priester. ,,Ik ben er absoluut van overtuigd dat het de Duitsers zijn geweest. Ze zijn duivelsslim opgetreden en bleven onzichtbaar. Misschien zijn er ook een paar Polen bij betrokken geweest. Maar dan alleen omdat ze gedwongen waren.'' In het massagraf op de heuvel waar de schuur stond, liggen volgens hem geen 1.600 joden maar ,,hooguit twee- tot driehonderd mensen''.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was Jedwabne een Pools stadje met een kleine zesduizend inwoners. Ongeveer eenderde van hen was joods. De Polen bewerkten het land, de joden dreven handel op de markt en in kleine winkeltjes. De streek was Pools geworden toen Polen na de Eerste Wereldoorlog zijn onafhankelijkheid herwon. Daarvóór maakte het deel uit van het Russische `Paalgebied', het westen van het Russische rijk waar joden mochten wonen. Polen en Russen kwamen en gingen met het tij van de geschiedenis, maar de joden waren gebleven. De Duitsers kwamen in 1941.

Volgens de journaliste Anna Bikont – zij doet eigen onderzoek naar de gebeurtenissen in en om Jedwabne – stak het antisemitisme de kop op zodra het gebied Pools werd. De grensstreek werd een stevige basis voor de rechts-extremistische Stronnictwo Narodowe, een Poolse semi-fascistische partij. De plaatselijke katholieke kerk steunde de SN openlijk. De anti-joodse sentimenten werden ingegeven door de economische malaise die in Polen heerste, maar ook door de katholieke traditie die stelde dat de joden Christus vermoord hadden.

Tussen '33 en '39 werden de joden steeds verder in het nauw gedreven. Op de markt van Jedwabne liepen activisten van de SN rond die de stalletjes van joden omver wierpen en hun waar onverkoopbaar maakten. Tegen de tijd dat de Russen terugkwamen, in 1939, kocht niemand meer bij de joden. Bikont onderstreept dat de joodse bevolking inderdaad uitzag naar de komst van de Russen. ,,De Russen boden perspectief. Maar erg lang duurde het enthousiasme niet. De Russen moesten niets hebben van de kleine winkeltjes die de joden dreven. In hun antireligieuze campagne sloten ze ook vrijwel meteen de prachtige, eeuwenoude houten synagoge in Jedwabne.''

Primitieve reflexen

Krzysztof Godlewski maakt een zeer ongelukkige indruk. De burgemeester van het stadje waar iedereen in het land over praat heeft zwarte kringen onder de ogen. Hij voert een eenmansgevecht tegen de primitieve reflexen van zijn eigen bevolking. Hij is één van de weinigen die hardop durven zeggen dat het niet de Duitsers, maar de Polen zijn geweest die de moord op de joden op hun geweten hebben. Een paar weken geleden heeft hij de steen laten weghalen waarop sinds de jaren vijftig gebeiteld stond dat de joden van Jedwabne in 1941 door de Duitsers gedood werden. ,,Ik kon dat toch niet langer laten staan.'' Omstanders keken woedend toe en riepen verwensingen.

Als de Poolse president op 10 juli komt wil de burgemeester een nieuwe steen hebben staan, met een nieuwe inscriptie. Maar het onderzoek van het instituut voor oorlogsdocumentatie IPN zal dan nog niet zijn afgerond. De burgemeester ligt nu al wakker van de gedachte wat hij dan wel op de steen moet laten zetten. Hij voelt zich in het nauw gedreven. Hij twijfelt er niet aan dat de Polen de moord op de joden pleegden en niet de Duitsers, maar hij wil zijn eigen nest niet bevuilen. ,,Ik wil niet dat onze kinderen zich de kinderen van moordenaars voelen en zwart gemaakt worden door de media. Daar kweek je alleen maar antisemitisme mee.'' De marges zijn klein in Jedwabne.

Burgemeester Godlewski ziet zijn gemeente voor zijn ogen splijten. Het luidruchtigste deel wordt aangevoerd door het comité tot redding van de goede naam van Jedwabne. Hierin zijn de families van de daders vertegenwoordigd, maar ook tal van mensen die pas na de oorlog naar de stad gekomen zijn en vasthouden aan de visie dat de joden hun eigen doodsvonnis tekenden door te collaboreren met de Russen. Zij staan als één man achter hun priester, verstoren openbare bijeenkomsten over het onderwerp en houden de media op afstand. In de gemeenteraad heeft de geplaagde burgemeester precies één medestander. De rest staat achter de priester of houdt zich op de vlakte.

De burgemeester doet zijn verhaal in zijn werkkamer in het grauw-betonnen gemeentehuis. In de kamer ernaast houden een paar secretaressen precies in de gaten wie er binnen zit. Een paar schooljongens wijzen op het stadsplein de richting aan waar het massagraf moet liggen. Ik vraag naar het monument. Ze wijzen automatisch naar een tweede monument dat in Jedwabne in de jaren negentig is verrezen: een monument ter nagedachtenis aan de Polen die door de Russen werden gedeporteerd. Het joodse massagraf ligt een paar honderd meter verder. Daar op een weide, vlak buiten de bebouwde kom, moet de schuur gestaan hebben. De schooljongens kijken van een afstandje naar de zoveelste journalist die de plaats van de moord komt bekijken.

Zestig jaar geleden – zo beschrijft Gross in zijn boek – wierpen schooljongens van dezelfde leeftijd zich op joden die uit de brandende schuur probeerden te ontsnappen. Ze vingen ze in het hoge graan en brachten ze terug naar hun moordenaars.

Voor de inwoners van Jedwabne is Jan Gross de belichaming van het kwaad. Tot vorige zomer was Jedwabne een rustig stadje waar van tijd tot tijd een joodse familie uit het buitenland kwam zoeken naar een graf van een voorouder op de overwoekerde joodse begraafplaats.

Na het verschijnen van Buren kwam het slaperige stadje plotseling in de felle schijnwerpers te staan. In Warschau beaamt Gross dat het een schande is dat de zaak nu pas naar boven is gekomen. ,,Als historici eerder hadden beseft wat er gebeurd was, hadden ze er eerder over geschreven.'' Maar de uit de communistische tijd stammende mythe over het Poolse oorlogsverleden heeft verrassend lang stand weten te houden. Zelfs na de val van het communisme was er weinig animo om naar dit deel van het verleden te kijken.

Gross baseert zijn boek onder andere op getuigenverklaringen van Poolse inwoners uit Jedwabne zelf. De moord heeft hij stap voor stap gedocumenteerd.

,,De schuur was het laatste hoofdstuk. In de voorafgaande dagen zijn tussen de honderd en de tweehonderd joden individueel doodgeslagen in hun huizen en op hun erven. Het waren niet alleen de joden van Jedwabne. Zij kwamen ook uit de omgeving. Er trok in die dagen een golf van anti-joods geweld door de streek. Niemand weet hoeveel het er precies geweest zijn. Het kunnen er 1.200 maar ook 2.000 zijn geweest. Natuurlijk moest de Duitse bezetter toestemming geven, maar de moord zelf is voltrokken door de buren van de slachtoffers.''

Aan de vraag of het de Polen of de Duitsers zijn geweest, twijfelt buiten Jedwabne inmiddels bijna niemand meer. De maatschappelijke discussie richt zich nu vooral op de vraag waar de Duitsers precies waren op 10 juli 1941 en wat de betrekkingen waren tussen de joden en de Russen tussen 1939 en 1941. Het hele land ziet uit naar het rapport van het instituut voor oorlogsdocumentatie IPN dat op alle vragen antwoord moet geven.

Intussen blijft (de sociaal-democratische) president Kwasniewski bij zijn voornemen om op 10 juli in Jedwabne op de knieën te gaan. Kardinaal Glemp, de leider van de katholieke kerk, zal in ieder geval wegblijven. Premier Buzek, leider van de centrum-rechtse regering, weet het nog niet. De Poolse samenleving is er nog niet uit.

    • Renée Postma