De Mensing connectie

Onder de wetenschappelijke instrumenten die met het veilinghuis van Anton Mensing in verband staan bevinden zich tientallen vervalsingen. Het Mensing-project zoekt uit welke dat zijn.

In 1956 publiceerde de Amerikaanse instrumenthistoricus Derek de Solla Price een geruchtmakend artikel. `Fake antique scientific instruments', luidde de titel en het richtte zich op de Mensing-vervalsingen, genoemd naar de Amsterdamse kunsthandelaar Anton Mensing (1866-1936). Price bracht als eerste naar buiten dat diverse wetenschappelijke instrumenten, waaronder astrolabes en zonnewijzers, die tot de collecties van diverse musea behoorden, niet echt waren maar namaak. Inmiddels is hun aantal opgelopen tot 50 à 60. Ze waren eens het bezit geweest van Mensing, of onder de hamer gekomen op zijn veilinghuis Frederik Muller & Co.

Price's artikel sloeg in als een bom. `Waren instrumenten met een Mensing-connectie überhaupt nog wel te vertrouwen?' Met name de conservator van het Adler Planetarium in Chicago, dat van de 802 Mensing-objecten er zo'n 600 in zijn collectie heeft, had reden om zich zorgen te maken. Maar ook Museum Boerhaave in Leiden, het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Utrechts Universiteitsmuseum en diverse musea elders in Europa bleken vervalsingen in huis te hebben. Zo gevoelig lag de zaak in 1956, dat Price namen van twee direct betrokkenen verzweeg en het Utrechts Universiteitsmuseum het opnemen in de lijst vervalsingen van een object uit de eigen collectie verbood, omdat men de conclusie van de Amerikaan dat het een vervalsing betrof niet wilde geloven. Over instrumenten die met Mensing te maken hadden kwam een schaduw te liggen: waren ze nu authentiek of niet?

Om verwarring en onzekerheid zoveel mogelijk tegen te gaan is in 1992, toen de personen die direct bij het maken, verhandelen of kopen van de gewraakte instrumenten lang en breed waren overleden, het Anton Mensing Scientific Instruments Project van start gegaan. Het beoogt de betrokkenheid van Anton Mensing en zijn Frederik Muller-veilinghuis te onderzoeken, een catalogus op te stellen van alle betrokken instrumenten en door onderzoek vast te stellen welke vervalsingen zijn, terwijl ook in archieven wordt gespit. In het kader van dit project werd oktober 1999 in Museum Boerhaave een tweedaags symposium gehouden onder de titel `The Mensing Connection'. De proceedings, verzorgd door Peter de Clercq, zijn onlangs gepubliceerd onder de titel `Scientific Instruments: Originals and Imitations'.

Wat was Mensings persoonlijke betrokkenheid? Uit de inleidende bijdrage van Willem Mörzer Bruyns, conservator van het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam en uitvoerend projectleider, valt op te maken dat er weinig hoop is dat het antwoord ooit nog boven tafel zal komen: kort na de Tweede Wereldoorlog heeft Mensings zoon de volledige archieven van het veilinghuis Frederik Muller & Co vernietigd en de weduwe van die zoon toont zich nog altijd uiterst weinig coöperatief. Niettemin valt uit secondaire bronnen het nodige op te maken.

Toen Anton Mensing in 1885 op 19-jarige leeftijd bij Frederik Muller & Co kwam te werken, ging het nog om een antiquariaat. In 1892 werd Mensing zakelijk partner in het bedrijf; acht jaar later was hij enig directeur. De boeken ruimden het veld en het bedrijf veranderde in een internationaal veilinghuis voor kunst. De eerste wetenschappelijke instrumenten (afgezien van globes) kwamen waarschijnlijk in 1904 onder de hamer, de laatste in 1959. Mensing was naast handelaar ook verzamelaar van scheepsmodellen, atlassen, kaarten, globes,etc. en hij was mede-oprichter van het Scheepvaartmuseum in de hoofdstad. De verstrengeling van privé-interesses en zakelijke activiteiten bij Mensing had conflicterende belangen tot gevolg die nu in de museumwereld niet door de beugel kunnen.

Mensing was in de jaren twintig en dertig een gezien persoon die in interviews zijn kwaliteiten niet onder stoelen of banken stak. Archiefonderzoek heeft dit positieve beeld gecorrigeerd. Mensing blijkt een hardwerkende maar arrogante zakenman te zijn geweest die een loopje met de waarheid nam als hij daar financieel garen bij kon spinnen. Tijdens veilingen schakelde hij een fantoom-bieder in om de prijs op te drijven.

Maar maakt hem dat tot de initiator of handlanger van praktijken waarbij instrumenten werden vervalst en vervolgens geveild? Volgens Bruyns, die al eerder over Mensing publiceerde, is het moeilijk voor te stellen dat hij er niet op de een of andere manier bij betrokken was. Als Price het bij het rechte eind heeft, kwam tenminste een vervalste zonnewijzer tot stand op een tijdstip dat het origineel in het bezit van Mensing was.

NIET ZWARTWIT

Inmiddels is wel vast komen te staan dat de zaken stukken complexer liggen dan Price zich in 1956 voorstelde. Al aan het eind van de 19de eeuw, dus voor de periode Mensing, blijken instrumenten het onderwerp te zijn geweest van duistere praktijken en het is nodig een adequate terminologie te hanteren. De zaken liggen vaak niet zwartwit, een kopie van een instrument gemaakt met de bedoeling om hem tentoon te stellen, is iets heel anders dan een vervalsing die een argeloze koper geld uit de zak moet kloppen. Die laatste categorie kwam in beeld toen in de 19de eeuw particulieren als Spitzer, Roussel en Heilbronner wetenschappelijke instrumenten als vorm van toegepaste kunst zagen en verzamelingen begonnen aan te leggen. Waar de vraag groter is dan de markt kan leveren, ontstaan vanzelf vervalsingen. Vanaf 1890 kwamen deze collecties, in steden als Parijs en Amsterdam onder de hamer en verdwenen ze naar musea. De veilingen van Mensing staan aan het eind van dit proces en naar alle waarschijnlijkheid speelt het probleem van de authenticiteit elders net zo sterk.

De conclusie van Price dat de Mensing-vervalsingen het werk zijn geweest van één en dezelfde persoon, te weten de Amersfoortse zilversmid Jacob Feeterse, is volgens Jan Deiman van het Utrechts Universiteitsmuseum niet langer vol te houden. Handelaar C.J. Feeterse, Jacobs broer en ook in het complot, kocht in 1927 van Mensing een partij losse onderdelen. Jacob kon hij toen moeilijk vragen daaruit vervalsingen te vervaardigen: die was twee jaar daarvoor overleden. Kortom, de Mensing-connectie ligt lang niet zo simpel als gedacht en het projectteam dat de 802 instrumenten moet onderzoeken (in juni zijn de Mensing-objecten van het Adler-planetarium in Chicago aan de beurt) zal een zware dobber hebben om klaarheid te brengen.

Scientific Instruments: Originals and Imitations (144 blz., geïll.) is te bestellen bij Museum Boerhaave. Prijs: ƒ75.-

    • Dirk van Delft