Crisis BV

Of er een vliegtuig neerstort of een vuurwerkfabriek ontploft – steevast schiet rampen- professor Uri Rosenthal te hulp met zijn twintigkoppige onderzoeksteam. Gemeenten denken dat ze de universiteit in huis halen. Maar de club is commercieel en krijgt een voorkeurs- behandeling van Binnenlandse Zaken. `Ze profiteren van hun wetenschappelijke imago.'

Geen ramp, rel of ongeluk of het Crisis Onderzoek Team Universiteit Leiden is present. Terwijl de mond- en klauwzeer-epidemie nog om zich heen grijpt heeft het ministerie van Landbouw de crisisevaluatie alvast in gang gezet. Vorige week is daarvoor hulp ingeroepen van het Crisis Onderzoek Team Universiteit Leiden (COT). Onder aanvoering van de Leidse bestuurskundige professor dr. U. Rosenthal moeten de onderzoekers een `volledig onafhankelijke' evaluatie maken van de ministeriële aanpak van de mond- en klauwzeer-crisis. Een opmerkelijke opdracht. Want ditzelfde COT trad eerder op als `crisisadviseur' voor dit ministerie, organiseerde mond- en klauwzeer-oefeningen voor dit ministerie en verzorgde, alweer voor dit ministerie, opleidingen op het gebied van crisismanagement.

Ook tijdens de rellen afgelopen december in Den Bosch dook het COT op – aanvankelijk gevraagd als adviseur, later ingezet als onafhankelijk onderzoeker. Niet geheel tot tevredenheid van de Bossche gemeenteraad. De raad had geen inspraak gehad in het opstellen van de onderzoeksvragen en ontbeerde inzicht in de conceptversies van het onderzoek. Omdat het COT-rapport vier maanden op zich liet wachten kon bovendien het raadsdebat over het optreden van burgemeester A. Rombouts pas deze week plaatsvinden.

Overheden vragen het COT om advies, onderzoek naar het bestuurlijk optreden en analyse van de crisis. Mr.dr. P. Claessen, D66-raadslid in Den Bosch en bestuurskundige, zegt: ,,Als er iets aan de hand is, denkt de wereld van het openbaar bestuur niet verder dan het COT. Geen burgemeester die het in zijn hoofd haalt om het COT buiten de deur te houden.'' De Groningse criminoloog prof. dr. W. de Haan, zelf crisisonderzoeker, voegt daaraan toe: ,,Je moet beducht zijn voor belangenverstrengeling tussen wetenschap en commercie. Bovendien kun je je afvragen of het COT niet wordt gebruikt door bestuurders, om zich erachter te verschuilen en tijd te winnen?''

Het COT begon als onderdeel van het wetenschappelijk onderzoeks- en onderwijsprogramma halverwege de jaren tachtig. Als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam had Uriel Rosenthal (55) een boek geschreven over crisisbesluitvorming in Nederland. Daarin pleitte hij voor de komst van een onderzoekscentrum. Dat centrum kwam er in 1986, verbonden aan de vakgroep bestuurskunde die de Rotterdamse en Leidse universiteit samen hadden opgericht. Datzelfde jaar rukte hij met zijn assistenten, onder wie P.'t Hart, E. Muller en M. van Duin, uit voor het eerste crisisonderzoek. Vissers waren slaags geraakt met inspecteurs van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw. Daarnaast richtte Rosenthal, inmiddels hoogleraar en voorzitter van de vakgroep bestuurskunde in Leiden, drie jaar later samen met twee collega's op persoonlijke titel de Stichting Crisis Onderzoek Team op. De stichting stond (en staat) statutair los van de universiteit en van het crisisonderzoeksteam van de vakgroep bestuurskunde.

Waterhoofd

De eerste grote opdracht voor het universitaire crisisonderzoeksteam kwam in 1992, van het ministerie van Binnenlandse Zaken – een onderzoek naar de explosie van de chemische fabriek Cindu in Uithoorn. In 1993 vroegen B en W van Amsterdam om een onderzoek naar de Bijlmerramp. Daarna volgden onderzoeken naar onder meer het Rotterdamse drugsbeleid, de evacuatie van het rivierengebied en demonstraties van extreem-rechts in Utrecht.

Rosenthal en zijn compagnons, de eerder genoemde bestuurskundige dr. E. Muller en de socioloog dr. M. van Duin, hadden hun handen vol aan de rampen en ongelukken. ,,Het crisisonderzoeksteam werd een waterhoofd binnen de vakgroep bestuurskunde'', herinnert zich prof.dr. R. Andeweg, hoogleraar politieke wetenschappen. Hij was van 1996 tot 1998 decaan van de faculteit sociale wetenschappen in Leiden waartoe de vakgroep bestuurskunde behoorde. Andeweg: ,,Er was onvoldoende leiding in de vakgroep omdat leidende figuren veel buiten de deur deden. Mijn prioriteit was dat docenten voor de klas stonden en er onderzoek plaatsvond, niet dat de eerstvolgende ramp onderzocht werd.''

Directeur-beheerder drs. M. Heezen van de faculteit zag nog andere bezwaren. Hij rept in juli 1996 in een brief aan Rosenthal en zijn mede-COT-directeur Muller van `een onduidelijke situatie' rond financiën en personeel. Een deel van het onderzoeksteam was verhuisd naar de stichting COT aan het Lange Voorhout in Den Haag. Rosenthal had daar vier kamers gehuurd bij de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, waarvan hij decaan is. Drie universitaire computers en een printer waren stilzwijgend meegenomen. Heezen signaleerde belangenverstrengeling tussen de Universiteit Leiden en de zelfstandige stichting COT. Hij schreef: ,,Universiteitspersoneel wordt kennelijk zowel in als buiten werktijd ingezet voor de niet-universitaire stichting COT-activiteiten zonder toestemming van de werkgever.''

Het universitaire onderzoeksteam werkte steeds vaker onder de paraplu van de particuliere stichting COT. Die opereerde vanaf 1997 als zelfstandig onderzoeksbureau. Rosenthal en Muller geven toe dat de constructie toentertijd problemen gaf. ,,Het was niet helder toen'', erkent Muller. Rosenthal: ,,Na de brieven van Heezen zijn de belangen uit elkaar getrokken.''

Rosenthal, Muller en Van Duin namen in 1997 het Crisis Onderzoek Team van de Universiteit Leiden over. Met het universiteitsbestuur spraken ze af dat zij jaarlijks 50.000 gulden aan de vakgroep bestuurskunde zouden doneren. Voor nog eens 30.000 gulden per jaar mochten zij, hoewel geprivatiseerd, ook de naam Universiteit Leiden blijven dragen. Voormalig decaan Andeweg: ,,Ik trof die situatie aan toen ik decaan werd, maar ik kon het toen wel billijken omdat de stichting betaalde voor de inzet van universiteitspersoneel.'' Maar helemaal gelukkig was de voormalig decaan niet: ,,Het bedrag dat het zelfstandige COT jaarlijks aan de vakgroep bestuurskunde zou betalen was met 50.000 gulden veel te laag. Als de heren er brood in zagen om commercieel te gaan, dacht ik, dan moest er voor de universiteit ook meer uit te halen zijn. Ik vind nog steeds dat er meer geld naar de vakgroep moet. Het COT gebruikt de reputatie die wij hier in dit gebouw opbouwen als nette wetenschappers.'' Bovendien suggereert het gebruik van de naam Universiteit Leiden door de stichting dat het COT onderdeel is van de universiteit. Andeweg: ,,Dat kan verwarrend zijn voor de buitenwacht. Die denkt van doen te hebben met de universiteit, terwijl het een onderneming is. Maar dat besluit was genomen door het college van bestuur.''

De universiteit maakt geen deel uit van het bestuur van de stichting COT en bepaalt niet de koers. Rosenthal: ,,De werkvloer heeft dagelijks overleg met Leiden. Wel is het zo dat er bestuurlijk niets is voorzien. Maar met het universiteitsbestuur hebben wij goed contact. De standaardmededeling van hen is: Fantastisch dat jullie de naam van de universiteit ook langs die commerciële weg uitdragen!''

Commercieel succes

Maar doorzichtig is de COT-organisatie vandaag de dag nog steeds niet. Namens wie maakt professor Uriel Rosenthal, tevens lid van de Eerste Kamer voor de VVD, zijn opwachting bij de rampen, rellen en gijzelingen? Is het hoogleraar Rosenthal van de Universiteit Leiden of is het voorzitter Rosenthal van de Stichting Crisis Onderzoek Team? Gemeenteraden denken, zo leert navraag in Enschede (600.000 gulden), Volendam (250.000 gulden) en Den Bosch (192.185 gulden), van doen te hebben met een team van universitaire onderzoekers onder leiding van Rosenthal. ,,Niemand misgunt hem commercieel succes, maar transparantie mag je wel vragen'', zegt het Bossche raadslid Claessen. Claessen kent als een van de weinige lokale bestuurders de COT-opzet: ,,Het is commercieel maar heeft het imago van een onderzoeksinstituut onder professorale leiding en met een nadrukkelijke wetenschappelijke inbreng. De gedragenheid waarop Rosenthal als wetenschapper voor de camera spreekt, draagt daaraan bij.''

De stichting COT in Den Haag heeft inmiddels een omzet van enkele miljoenen guldens per jaar en twintig personeelsleden. Precieze bedragen geven Rosenthal, Muller en Van Duin niet. Omdat het trio als bestuurder van de stichting COT statutair geen beloning mag ontvangen, is daar iets op gevonden. Het drietal is eigenaar/directeur van adviesbedrijf Kripolis BV, waarvan zij samen 90 procent van de aandelen in handen hebben en de Universiteit Leiden de resterende 10 procent. De stichting COT koopt via Kripolis de crisisadviezen van het trio in tegen marktconforme tarieven, 3.500 tot 4.462 gulden per persoon per dag.

De conclusie is dat deze winstgevende derdegeldstroomactiviteit van de Universiteit Leiden nu grotendeels in handen is van drie medewerkers van de universiteit. Het COT ontvangt miljoenen, maar de universiteit wordt er financieel nauwelijks wijzer van. Directeur-beheerder Heezen van de Leidse verantwoordelijke faculteit spreekt over ,,een vrij vergaande vorm van privatisering''. Heezen: ,,Overigens stond er wel tegenover dat het trio ook voor een groot deel ontslag zou nemen.'' Uiteindelijk ging Rosenthal anderhalve dag korter werken. Muller staat nog voor drie dagen per week op de loonlijst. Alleen Van Duin is nog maar één dagdeel docent in Leiden. Het college van bestuur van de Universiteit Leiden is, zegt een woordvoerder, ,,blij'' met de wetenschappelijke output, maar sluit niet uit dat de overeenkomst met het COT nog eens tegen het licht wordt gehouden. ,,We hebben nooit kunnen voorzien dat het contractonderzoek (commerciële opdrachten, red.) zo'n vlucht zou nemen.''

Dat Muller, Rosenthal en Van Duin bij opdrachtgevers van het COT over de vloer komen namens adviesbureau Kripolis, is onbekend bij opdrachtgevers als Den Bosch, Enschede en Volendam. En wie de officiële lijst met nevenfuncties van het Eerste-Kamerlid Rosenthal langsloopt, weet niet dat de liberale senator commercieel crisismanager is. Kripolis BV heeft hij niet opgegeven. Senatoren zijn niet verplicht nevenfuncties te melden, maar het is wel gebruikelijk. De woordvoerder van de senaat: ,,We gaan ervan uit dat de opgave van de leden volledig is.'' Rosenthal: ,,Als dat anders moet, zal ik dat binnen de kortste keren veranderen.''

Kun je als wetenschapper eigenlijk wel een groot deel van je tijd besteden aan commerciële activiteiten, zonder je onafhankelijke positie in gevaar te brengen? De commerciële opstelling van het COT leidt tot maatschappelijk interessante onderzoeken, maar de vraag is of wetenschappelijke kwaliteit altijd evenveel prioriteit heeft. Hoogleraar criminologie dr. W. de Haan van de Rijksuniversiteit Groningen doet ook gesubsidieerd onderzoek naar crisissituaties. Hij is beducht voor een belangenconflict tussen commercie en wetenschap. De Haan: ,,Ik ben universitair medewerker. Afgerekend wordt er met de faculteit. Aan puur commerciële opdrachten begin ik niet. Het zou trouwens ook te duur worden, omdat ik wetenschappelijke maatstaven aanleg.'' De Haan constateert desalniettemin een grote behoefte bij het openbaar bestuur aan een wetenschappelijk onderbouwing van het beleid. De Haan: ,,Dat gebeurt door wetenschappers op commerciële basis, waarbij ik vaak een grote mate van afhankelijkheid van opdrachtgever bespeur.'' Aan welke eisen commerciële onderzoeken en adviezen rond crises moeten voldoen, is landelijk niet geregeld.

Dubbelrol

Muller: ,,Ik word een beetje chagrijnig van de veronderstelling dat je als wetenschapper door commercieel te werken minder kwaliteit levert, minder onafhankelijk bent en opschrijft wat opdrachtgevers willen. Als je dat doet, ben je zo je aanzien als wetenschapper kwijt. Commercie en wetenschappelijke kwaliteit gaan goed samen.''

Wel zien Muller en Rosenthal een ander mogelijk belangenconflict binnen het COT, namelijk de dubbelrol door tegelijk als adviseur en onafhankelijk onderzoeker op te treden. Dat gebeurde met name na de vuurwerkramp in Enschede en nu in de mond- en klauwzeer-crisis. Daarover zegt Rosenthal: ,,Wij zien dat probleem en zoeken een oplossing. Zo schakelen we voor evaluatie van de MKZ-crisis geen medewerkers in die betrokken zijn geweest bij eerdere opdrachten voor Landbouw. Mogelijk moeten we twee aparte divisies maken.''

Maar ook een aantal nevenfuncties van Rosenthal en Muller staat op gespannen voet met de rol van onafhankelijk onderzoeker. Zo onderzocht het COT afgelopen twee jaar het optreden van de politie onder meer in Den Bosch en Helden. COT-directeur Muller is sinds 1999 ook directeur van de Nederlandse Politie Academie. De academie valt onder Binnenlandse Zaken, de grootste opdrachtgever van het COT. Rosenthal, op zijn beurt, traint de ambtelijke top van Nederland als decaan verbonden aan de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. De kans is niet ondenkbeeldig dat hij zijn studenten als COT-onderzoeker moet beoordelen.

Het Bossche raadslid Claessen, bestuurskundige, ziet gevaren. ,,Als zou blijken dat de onafhankelijkheid van het bureau gerelativeerd moet worden, dan is dat niet goed. Niet dat ik geloof in directe beïnvloeding, maar mensen kunnen daardoor wel een bepaalde scope krijgen.'' Claessen vindt de combinatie COT-directeur en hoogleraar in Leiden ,,bezwaarlijker''. Rosenthal trad op als promotor van COT-medewerkers die aan zijn faculteit studeren. Claessen: ,,Ik ken die wereld. Hier dient zich het verhaal aan dat degene die samenwerkt in een ander verband met de leidende hoogleraar bestuurskunde Rosenthal in Leiden op grond daarvan in Leiden een onderwijstaak krijgt. Dat geeft hem vervolgens weer een extra status die hem in het commerciële werk van pas kan komen. Ze profiteren van hun wetenschappelijk imago.''

Daarnaast is Rosenthal Eerste-Kamerlid. Gaat dat samen met zijn onafhankelijke COT? Als VVD-senator heeft Rosenthal wetsvoorstellen beoordeeld waarover het COT eerst heeft geadviseerd. Zo controleerde het COT de voorbereidingen van Euro 2000. In die evaluatie oordeelde het COT over een wetsvoorstel van Binnenlandse Zaken en twee wetsvoorstellen van Justitie. De drie voorstellen zijn in april vorig jaar in de Eerste Kamer behandeld. Namens de VVD voerde Rosenthal, als lid van de Vaste Commissie voor Justitie, het woord over de wetsvoorstellen van Justitie. Rosenthal: ,,Ik zou ook het woord voeren over het wetsvoorstel van Binnenlandse Zaken, maar dat heb ik niet gedaan omdat het onderzoek van Euro 2000 plaatsvond in opdracht van Binnenlandse Zaken.'' Rosenthal vindt dat hij wel het woord kon voeren over de twee wetsvoorstellen van Justitie, waarbij het COT ook betrokken was geweest. Rosenthal: ,,Het zwaartepunt van onze evaluatie lag bij Binnenlandse Zaken. De twee voorstellen van Justitie kwamen slechts kort voor in ons rapport.''

Uit informatie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het COT afgelopen jaren opdrachten van dat departement ontvangen heeft in strijd met de ministeriële aanbestedingsregels. Die schrijven voor dat opdrachten boven de honderdduizend gulden worden aanbesteed onder verscheidene kandidaten. Maar eind 1998 kreeg het COT rechtstreeks de opdracht om minister Van Boxtel voor ruim twee ton te adviseren over de millenniumproblemen. Toen er in 1999 een onderzoek moest komen naar de totstandkoming van de CAO voor de politie week Binnenlandse Zaken opnieuw af van de aanbestedingsregels. Het COT kreeg de opdracht van 1,5 ton. Daarna controleerde het COT, in opdracht van Binnenlandse Zaken, de voorbereidingen van Euro 2000. De opdracht ging opnieuw rechtstreeks naar het COT. Volgens het ministerie was er veel haast bij en werd het COT gekozen ,,op grond van expertise en ervaring''. Echter volgens de aanbestedingsregels vormt ervaring of snelheid geen geldig juridisch argument.

Volgens bronnen binnen het departement mocht het COT de controle op de voorbereidingen van Euro 2000 doen op aanwijzing van toenmalig minister Peper van Binnenlandse Zaken. Het COT moest en zou de opdracht krijgen. Voor de opdracht betaalde Binnenlandse Zaken 650.000 gulden. Na de controle op de voorbereiding van Euro 2000 incasseerde het COT ook de opdracht voor de eindevaluatie (326.500 gulden) van het voetbalevenement.

COT-directeur Muller: ,,De suggestie dat de aanbestedingsregels omzeild zijn omdat Rosenthal Peper kent, werpen we verre van ons. Als de regels door Binnenlandse Zaken niet zijn nageleefd, dan is dat gebeurd op grond van onze unieke expertise.'' Rosenthal zelf zegt niet door Peper te zijn benaderd voor het onderzoek naar de totstandkoming van de politie-CAO. De vraag kwam volgens Rosenthal van secretaris-generaal W. Kuijken.

En de andere verwijten? Onverenigbare functies, belangenverstrengeling en een te hoog commercieel gehalte van zijn werk – Rosenthal wil er niets van weten: ,,Nee, wij zijn trots op wat wij doen.''

Hij wijst op de tafel. Daar ligt de achtste jaargang van de Journal of Contingencies and Crisis Management. Dat is het gezaghebbende internationale tijdschrift op het gebied van crisismanagement en rampenbestrijding. ,,Kijk: Van Duin, 't Hart. Zij zijn daarin auteurs. En ik ben een van de chief editors. Wij behoren internationaal gezien tot de meest gerenommeerde onderzoekers.'' En dan heeft Rosenthal nòg iets om zijn gelijk te bewijzen. ,,Want u staat ons op de ziel.'' Het manuscript van een boek over crisisbestrijding van ,,de fine fleur op crisisgebied'' komt over tafel. Wijzend op de auteurslijst: ,,Kijk, daar staan dus ook onze namen!''

    • Joep Dohmen