Conservatieve partij is totaal overbodig

De conservatieven staan een vorm van duidelijkheid voor die zich niet verdraagt met de Nederlandse conservatieve traditie van pappen en nathouden. Als de politiek ergens behoefte aan heeft dan is het wel om aan de prudentie weer progressiviteit te paren, meent Thijs Wöltgens.

Waar drie PvdA-premiers achtereenvolgens de monarchie gered hebben, is geen plaats voor een conservatieve partij. De eerste PvdA-ideoloog, Willem Banning, zag als belangrijkste opgave voor zijn politieke groepering ervoor te zorgen, dat de normen en waarden van de christelijk-humanistische Europese traditie hersteld zouden worden. Hij gewaagde zelfs van de noodzaak ons land te `herkerstenen'. Zijn beeld van de moderne massamens was pessimistisch. Volksopvoeding tot plichtsbesef en deugdzaamheid moest deze mens tot een gewaardeerd lid van de gemeenschap maken. Toegang tot de tot dan toe elitaire culturele erfenis moest hem immuniseren tegen de platte verleidingen van de commercie.

Zeg nu niet dat dit het gedachtegoed van de partij van Drees was. De Derde Weg van de hedendaagse sociaal-democratie kan moeiteloos als herdruk van Bannings verzamelde werken beschouwd worden. Plichten tegenover rechten, het gezin als kern van de gemeenschap, respect voor de nationale identiteit en de nationale instituties (inclusief de monarchie) en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot aanpassing (`inburgering') completeren het beeld van een partij die al meer dan honderd jaar geleden de revolutie heeft afgezworen. Het is het beeld van een conservatieve partij.

En toch is de PvdA binnen Nederlandse verhoudingen een progressieve volkspartij. En dat in een land dat door zijn sociaal-culturele onderzoekers als `prudent progressief' wordt gekenmerkt. Maar hier wint het bijvoeglijk naamwoord. Prudent verwijst naar de Aristotelische `phronesis', in Max Webers terminologie Augenmasz en in de Nederlandse vertaling `gematigdheid'. In ons land mag alles, als het maar gematigd is. Het goede standpunt bevindt zich altijd in het juiste midden. Dat standpunt is de basis voor datgene, dat met een onvertaalbaar woord `beleid' heet.

Deze onvertaalbaarheid bepaalt in hoge mate onze identiteit en is tegelijkertijd de bron van het buitenlandse misverstand, dat Nederland een progressief land zou zijn. Want beleid is nu juist de conservatieve variant van politiek. Beleid betekent omzichtigheid, veiligheid boven risico, consensus boven tweedracht, jurisprudentie boven wetgeving en opportuniteit boven legaliteit. Beleid is het verhinderen van onopgeloste tegenstellingen en daarom tegengesteld aan het begrip `politiek', zoals het elders wordt gedefinieerd. Beleid is bemiddeling, het werk van arbiters en notarissen. Diep in ons Nederlandse hart zouden we de politieke keuzes het liefst overlaten aan de rechterlijke macht, mits deze de vrijheid kreeg om vormfouten over het hoofd te zien. Ook dan zou de opportuniteit van het legalisme moeten winnen.

De Amerikaanse kenner van Nederland James Kennedy heeft een plausibele verklaring gegeven voor de voorhoederol van ons land in de euthanasiewetgeving. Het is het nationale geloof in onze gematigdheid, waardoor we excessen praktisch uitgesloten achten. Excessen schokken ons, maar niet in het geloof dat het om uitzonderingen gaat. Daarom komt er ook geen culturele revolutie die Oosting na Enschede bepleit heeft. Die culturele revolutie heeft Nederland al in de jaren zestig gehad. In de wijde omtrek valt niemand te bekennen die een herhaling wenst. Vooral niet de tot autoriteit gestegen zestigers.

Evenmin als de euthanasiewetgeving is het homohuwelijk een progressieve beleidsdaad. Het is immers de bevestiging van het instituut huwelijk als basis voor `tweezaamheid'. Het homohuwelijk is het resultaat van een flexibel conservatisme, waarin realiseerbare opties de voorrang hebben boven utopische dogma's. Dat is het pragmatisme, waardoor Nederland het wint in de wedloop om als eerste de finish van de ideologieën te bereiken.

Nederland is prudent en toch progressief, republikeins en toch een monarchie, nationalistisch en toch Europees, voor eigen verantwoordelijkheid en toch voor solidariteit, voor het Atlantisch bondgenootschap en toch voor een eigen Europese strijdmacht, voor verdieping van de EU en tegelijkertijd voor uitbreiding enz.enz. We zitten, kortom, altijd in het veilige midden. Maar nu zijn wijzelf het slachtoffer van een misverstand. Want we geloven, dat onze gematigdheid ons vanzelf de arbiterrol oplevert. Die illusie heeft ons vele smadelijke teleurstellingen bezorgd.

Een conservatieve partij in Nederland heeft pas kans, als zij op een on-Nederlandse wijze conservatief zou zijn.

Een voorbeeld daarvan is het voorstel om de sociale zekerheid weer terug te brengen naar de burgerlijke charitas. Dat is zo weinig prudent dat zelfs de ChristenUnie zich daarvan zal distantiëren. De andere on-Nederlandse weg is die via de Europese partijvorming, waar progressieven tegenover conservatieven staan. In beide gevallen is het on-Nederlandse karakter van het conservatisme een electorale paradox.

De conservatieven willen een duidelijkheid die zich niet met onze conservatieve traditie van pappen en nathouden verdraagt. En die traditie vindt haar beste verwoording in de keuze van een `behoedzaam scenario', de grondslag van de Zalm-norm. Liever pessimisme met meevallers dan optimisme met tegenvallers.

Kortom: het conservatieve moment hebben we allang gepasseerd. Als de Nederlandse politiek ergens behoefte aan heeft dan is het wel om aan de prudentie weer progressiviteit te paren.

Thijs Wöltgens is lid van de Eerste Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.

Dit is de elfde bijdrage in een serie over het conservatisme. Eerdere artikelen verschenen op 3,10,17,24 februari, 3, 8,10,17,24 maart en 7 april.