ACUPUNCTUUR

De column van Piet Borst getiteld `Qi hocus pocus' (W&O, 7 april) vraagt om een reactie.

Chinese (oosterse, zo u wilt) geneeskunst is meer dan het `prikken en draaien' met naalden. Ze behelst: voeding, kruidenleer, acupunctuur en massage. Een totaalpakket waarmee klachten die voortkomen uit een verstoorde lichamelijke en geestelijke balans kunnen worden behandeld. Een klacht kan alleen na uitgebreid en genuanceerd onderzoek worden begrepen en behandeld.

Eén van de grote waarden van de Chinese geneeskunst is dat ze beschrijft hoe ziektes zich ontwikkelen. Ogenschijnlijk niet ernstige en door ons als westerlingen al vlug geaccepteerde signalen worden vanuit deze wetenschap onderkend als de eerste aanwijzingen van een zich ontwikkelend ziektebeeld wat zich bij niet ingrijpen te zijner tijd zal openbaren. Een tweede waarde is het grote belang dat wordt gehecht aan onze leefwijze (goede voeding en leefomstandigheden, goed omgaan met emoties en een juiste balans tussen rust en werk), die ons kan helpen om onze gezondheid te bewaren.

Een derde waarde van Chinese geneeskunst vind ik dat de therapieën prettiger en doelgerichter zijn dan het vaak pijnlijke ingrijpen vanuit de westerse optiek. In de westerse geneeskunst slikken we medicijnen die voor een bepaald gedeelte van ons lichaam zijn bedoeld maar dikwijls onbedoelde en ongunstige bijwerkingen voor andere lichaamsdelen hebben. Oosterse geneeskrachtige kruiden daarentegen zijn afgestemd op het (gehele) verstoorde patroon. Zij hebben, mits deskundig toegediend, geen ongunstige bijwerkingen.

Borst schrijft voorts dat acupunctuur een flut-techniek is die een dokter in een achternamiddag kan leren. Collega's van hem hebben na hun studie medicijnen een tweejarige opleiding tot acupuncturist aan de Groninger universiteit gevolgd. Zouden ze dit alleen maar hebben gedaan om er `pijn en misselijkheid' mee te bestrijden?