Zag je het wel?

Mini en Maxi presenteren eigen en andermans variété in het Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam. De opvolgers van jongleurs en potsenmakers razen door het theater.

De doorloop is een kwartiertje onderweg, meer zal het niet zijn, als een enorm decorstuk ineens naar voren begint te hellen. Er is niets meer aan te doen. Het kiepert om. Het komt met een klap op het toneel terecht. Wonder boven wonder is niemand gewond.

,,Dit is een rumble-stumble-runthrough. Dus we spelen dóór, ongeacht wat er misgaat.'' Met nadruk had regisseur Jos Thie zich tevoren gericht tot het tableau de la troupe dat, geschminkt en in veelkleurig ornaat, op de parterre-rijen van het splinternieuwe Luxor Theater zat. Gespeeld wordt City, de variété-voorstelling van Mini & Maxi en hun buitenlandse gasten. City, een van de boegbeelden van Rotterdam 2001, opent over een week het nieuwe Luxor Theater en is daar tot eind juli te zien.

Achter Thie, op het grote toneel, waar het eerste tafereel in scène was gezet, inspecteerden technici voor de zekerheid de nauwkeurige plaatsing van het huizenhoge gevaarte, duwden nog even tegen een vrolijk beklad rekwisiet, veegden wat ongerechtigheden weg. Ook zij werden vervolgens op het podium genood om hun plek in te nemen voor de productiefoto – `een souvenir voor later' – en in minder dan geen tijd stond, wat onwennig, grapjes over en weer strooiend, elkaar aanstotend, hier een jaspand fatsoenerend, daar een hoofdtooi schikkend, een bont gezelschap bijeen. De solisten op de voorste rij, aan weerszijden van Mini en Maxi. ,,City!!!'' schalde iedereen uitgelaten en de sluiter van de fotograaf op het eerste balkon klikte.

Wekenlang is er op verschillende locaties gerepeteerd, gebouwd en gesleuteld. De officiële opening van het theater komt dichterbij. Voor het eerst zijn allen tezamen en alles moet nu kloppen.

Terwijl de avond daalt over de Kop van Zuid, waar de lokkende lichtletters van het Luxor al van veraf het nieuwe baken vormen, is de eerste toneeldoorloop van City klokslag op het aangegeven tijdstip begonnen. Timing is alles en het decorstuk valt.

Er gaat gedurende de gehele repetitie veel mis en stuk. Het zou jammer zijn daar uitvoerig over te reppen, want, afgezien van haperende overgangen, onwillige rekwisieten, te vroege opkomsten of te late inzetten, hoort het allemaal bij de voorstelling. Calamiteiten blijken betoverende precisiechangementen te zijn. Na afloop doet de productieleider op het ruime zijtoneel enthousiast de kneepjes van het kunst- en vliegwerk uit de doeken, vertelt hoeveel gepuzzel en gereken eraan te pas is gekomen om de onverhoedse effecten prompt en perfect te krijgen. ,,Kijk, dit gat in de wc-pot hebben we telkens een fractie moeten uitzagen. Het luisterde verschrikkelijk nauw, want er komt nogal wat vierkante meters stof uit tevoorschijn. En de ramp van de skaters hebben we net zolang aangepast totdat hun curve exact goed was. Je kunt het zien, hier is een stuk aangeplakt. Weet je hoe ze vaart maken?'' Hij wijst op een hellingbaantje in de coulissen aan de overkant: ,,Die verhoging hebben ze nodig, anders halen ze het niet.'' Terzijde bevindt zich het pièce de resistance uit het eerste tafereel. De toneeltechnicus die erbij staat, mompelt: ,,De ramen moeten beslist gesloten worden, anders valt het niet goed.''

Het schokeffect in het eerste tafereel is met liefde van stomme-filmgenie Buster Keaton geleend, beaamt Karel de Rooij, terwijl hij door het storyboard bladert, waarin alle handelingen minutieus zijn getekend. Een paar plaatjes ontbreken in de voorstelling, zijn bij een idee gebleven of bleken niet uitvoerbaar. ,,Hier heb je het zeilbootje. Zag je het voorbijkomen? Oorspronkelijk wilden we de Indiër erin zetten, zodat hij tijdens ons waterballet op het zeiltje nog wat schaduwfiguren kon maken. Maar dat konden we hem niet aandoen'', zegt hij, doelend op de hoge leeftijd van de Indiase schimmenspeler Prassana Rao, die met zijn lenige handen in sneltreinvaart een huppelende menagerie en malle conterfeitsels laat verschijnen, onderwijl melodieus miespelend. ,,Hij is in de tachtig. Met hem verdwijnt dit kunstje.''

Vaudeville

Karel de Rooij (Mini) en zijn partner Peter de Jong (Maxi) kennen hun klassiekers. Hun eerbied voor het verleden uit zich in de keuze van hun gasten, die ze veelal leerden kennen op hun buitenlandse toernees, zoals het stralende Duo Sudarchikovy, dat zich onder je ogen wervelend verkleedt van het ene kostuum in het andere, zonder dat je precies kunt zien hoe of wanneer. Het zijn hedendaagse opvolgers van de jongleurs, de acrobaten, de goochelaars, de potsenmakers en de talloze muzikale en dansante attracties die voor de oorlog het levendige vaudevillecircuit van de Rotterdamse binnenstad versierden.

Vergenoegd waren Mini en Maxi over de opdracht om de openingsvoorstelling voor het nieuwe Luxor te maken. Temeer toen de organisatie Rotterdam Culturele Hoofdstad de productie annexeerde. Vrij associërend op het thema Rotterdam, de stad waar eind jaren zestig hun duo ontstond, hebben ze taferelen en scènes aaneengeregen in een mengeling van deadpan slapstick en muzikale poëzie.

Gestoken in een roodgeblokt kostuum, het eerste van zijn vele uitdossingen, bevestigt De Rooij voor aanvang met een ernstig gezicht, dat de in onbruik geraakte term revue op zijn plaats is, al was het hun opzet een doorlopend geheel te vormen.

Hun revérence voor het traditionele variété krijgt in City wonderbaarlijke, moderne referenties. Liet Fred Astaire in de jaren dertig – top hat and tails – op het filmdoek de dansers op de achtergrond in slowmotion bewegen, bij Mini en Maxi zet het corps de ballet – in voetbaltenue – de tijd stil en draait hem letterlijk en figuurlijk terug om knipogend tegemoet te komen aan de wensen van het verwende televisiepubliek. Het handjevol toeschouwers, onder wie de artiesten die straks nog op moeten, hapt naar adem en tracht de tot de nok toe lege zaal te vullen met applaus. Dan dient de aansluitende scène zich al weer aan.

Miniatuurtjes en running gags schieten onder de prominente handelingen voorbij als de paarlemoeren zeepbelletjes die Mini en Maxi proberen te vangen. Liep daar een tafel met benen weg? Was Maxi niet net ook al van links opgekomen? Liet de majorette expres haar stokje vallen? Vast wel. Ook schrik kan worden gechoreografeerd. Alles wat mis moet gaan, gaat mis. Bij het Duo Mouvance is dat niet de bedoeling. De sensuele tango op de trapeze, hoog in de toneelopening stokt plotsklaps. Heftig schudt de vrouw haar hoofd. Ze praten. De man stemt in en beiden dalen af. Navraag leert dat het veiligheidstouw niet strak hing, doorgaan was te gevaarlijk. Het orkest speelt unverfroren het hele nummer uit. Maar de musici steken wel hun hoofd over de rand om te kijken naar de skaters. In fluorescerende kleding razen die over hun verticalewerkterrein, buitelen onverschrokken door de lucht, zonder veiligheidstouwen.

,,Zoiets heb je nog nooit in het theater meegemaakt.'' De Rooij glimlacht als hij gelijk krijgt. Maar kijkt beteuterd als ik het liefdevolle gebaar memoreer waarmee hij op een vervaarlijk moment een beschermende lap over zijn viool legde. ,,Het was niet de bedoeling, dat je dat kon zien.'' Ongetwijfeld maakt hij een mentale aantekening om die onachtzaamheid te herstellen.

Buziau

De virtuoze capriolen van Mini en Maxi op hele en kapotte muziekinstrumenten (geïnspireerd door bijvoorbeeld Johan Buziau) worden ondersteund door een orkest van vijfenvijftig musici. De flinke bak kan hen met gemak herbergen, maar ze vertoeven, in diverse samenstellingen, veel vaker op het podium, als onderdeel van de handeling. Vlak voor de pauze verschijnen ze ineens in een toneelbeeld dat doet denken aan het in de bedekte kleuren van de nostalgie gehulde verhaal uit de verlovingstijd van mijn ouders. Met de trein reisden zij naar Rotterdam om te gaan dansen in Pschorr, op zondagmiddag. Op het podium van de dancing zong Stella Moira, lady-crooner bij Nat Conella, in een witte blouse en een brede lakceintuur. Ze dansten de foxtrot en de slowfox. De glazen vloer fonkelde onder hun voeten.

Het was een jaar vóór de bezetting. Tijdens het bombardement op Rotterdam werd de beroemde uitgaanswijk rond de Coolsingel vrijwel geheel weggevaagd. Ook cabaret-dansant Pschorr. De tentoonstelling `Uitgaan in Rotterdam' in het Historisch Museum reikt een zweem aan van die feestelijke grandeur van toen.

De Rooij en De Jong, beiden van na de oorlog, voelen die sfeer, die zo contrasteert met het zakelijke imago van hun stad, aan. ,,Het is gek. Er is toch altijd iets blijven hangen van dat typisch Rotterdamse uitgaansleven'', verklaart De Rooij, ,,Het Rotterdamse publiek herken je meteen. Die doen er altijd wat aan als ze uitgaan. Nergens in Nederland, en we kennen het toch werkelijk tot in alle hoeken en gaten, merk je onmiddellijk dat ze d`r haar nog even goed in de krul hebben gezet, extra aandacht hebben besteed aan hun kleding. Alleen in Rotterdam.''

Lijm

De artiesten en technici hebben zich het gebouw van architect Peter Wilson al eigen gemaakt. Her en der hangen aanwijzingen voor wie de weg nog niet kent. En of het servies alsjeblieft terug kan worden gebracht naar de artiestenfoyer, die met zijn brede raampartij een weids uitzicht biedt op het decor van een futuristische metropool bij avond. Vanaf hier kun je straks de toeschouwers uit het metrostation zien stromen. En zíj zullen op hun beurt tijdens hun bezoek aan City tot hun verbazing de metro voorbij zien rijden. Zich in het stadion wanen, als het vijftig man sterke orkest van de Koninklijke Luchtmacht de grote zaal laat daveren. In de pauze hebben de mannen, strak in hun smetteloos uniform, het koper bij de hand, een pilsje staan drinken.

Overal ruikt het nog naar lijm en het bouwstof is op elk richeltje neergestreken. Het groene marmoleum glimt, proper ogen de kleedkamers. Schmink- en zweetlucht beklijven nog niet. Het gebouw heeft nog weinig te vertellen.

Vol trots toont directeur Rob Wiegman na de doorloop de publieksfaciliteiten in het verlaten gebouw: de flathoge entree, de groene stenen trappen en de brede houten allee waar straks 1.500 toeschouwers kunnen flaneren, de ruime foyers met een eindeloos uitzicht op de stad en, spaarzaam op de wanden, uitvergrote portretten van theatergrootheden. Hier moet het tapijt nog vastgeklonken, daar staan wat stoelen, speciaal ontworpen voor het Luxor, verkeerd om. Geluiddichte kamers leiden naar de balkons, waar een goed zicht is op de enorme toneelopening.

De excursie eindigt bij het podium. Illegaal café staat er op een scheef stuk karton. Een pijl wijst naar het zijtoneel. Het is er propvol met liefhebbers van `Annie en Harry Berini' die deze avond, gedoogd door de glunderende directeur, bijgestaan door `surprise appearances' van onder meer Gerard Cox een hilarische after-show opvoeren. Lijmlucht en bouwstof zijn ineens verdwenen. Het lijkt alsof het Luxor er altijd al was. De volgende dag is al een eind op streek als het publiek, inclusief de wethouder Kunstzaken, luidkeels meezingt met `Ketelbinkie'. Het spontane café-chantant sluit met het openen van de laaddeur aan de oever van de Maas. De lichtjes van de wolkenkrabbers aan de overkant twinkelen in de rivier. Een gure wind heeft het voorjaar verdreven, het zand van de bouwplaats waait ongenadig in de ogen, maar de eerste legende van het Nieuwe Luxor Theater is geboren.

`City' is sinds deze week te zien in het Nieuwe Luxor Theater, gaat 28/4 in première en blijft daar t/m 29/7 staan. Reserveren: (010) 484 3333 of (0900) 300 5000.

De tentoonstelling `Uitgaan in Rotterdam' in het Historisch Museum Het Schielandhuis duurt t/m 6/1/2002.