Van gras naar gras

Op 28 januari 1996 overleed Joseph Brodsky, op 55-jarige leeftijd, in New York. Enkele dagen later werd hij daar begraven. Begraven is niet helemaal het juiste woord. Brodsky zou uiteindelijk in Venetië zijn laatste rustplaats krijgen. In afwachting daarvan werd hij tijdelijk bovengronds bijgezet in een gebouw op het oude kerkhof van Riverside. Na de afscheidsdienst werd om de houten doodskist een zinken kist gelast en deze zinken kist werd weer ingemetseld, zo schreef Kees Verheul in een herdenkingsessay. Verheul herinnerde zich hoe hij na afloop nog wat rondschuifelde in het koude en verlaten ontvangstzaaltje, samen met enkele nablijvers. Plotseling klonk er toen `een zware slag die trilde door alle muren', onmiddellijk gevolgd door `twee dreunen als met een titanenvuist, nu kort achtereen. Daarna bleef het stil.' De slagen moeten het gevolg zijn geweest van de werkzaamheden van de metselaar, maar het was op dat beladen moment en op die vreemde plek tussen doden en levenden moeilijk om er niet ook iets anders in te zien: een teken van gene zijde, een laatste groet. Verheul stelde zich voor dat er toen een tevreden glimlach op het gezicht van de overledene moet zijn verschenen. Een doffe dreun gevolgd door twee lichtere: daar zou Brodsky vast de dactylus in hebben gehoord, zijn favoriete versvoet. En hij zou dat een mooie afscheidsgroet hebben gevonden, vermoedde Verheul, die intussen ook wel wist dat hij zich daarmee op het gebied van de gevaarlijke speculatie begaf, waar toeval en goedkope troost, gesublimeerde rouw en religie dicht naast elkaar liggen. Het bracht hem bijna terloops op een rake karakteristiek van wat poëzie schrijven en poëzie lezen is: `een spel met de mogelijke zin van toevalseffecten.' Dat leek mij trouwens meteen ook een rake karakteristiek van het leven.

Eind 1998 verscheen een kleine bundel gedichten van Gerrit Komrij, onder de wonderlijke titel Rook zonder vuur. Een oude wijsheid leert dat waar rook is ook vuur moet zijn. Rook zonder vuur was en is ook het ideaal van de zogenaamde autonome poëzie: een gedicht zonder verwijzingen naar de werkelijkheid, een gevolg zonder aanleiding, een web zonder spin. Komrij is zich bewust van de kunstmatigheid van het genre van de poëzie en hij is een liefhebber van het mechaniek van illusies, maskerades en tovertrucs met woorden, het wonder van de aap zonder mouw. Hij gebruikt het hier juist om dicht langs de grootste en oudste waarheden te scheren. Alle gedichten hebben dezelfde vorm en alle twintig bezingen ze de ijdelheid en de vergankelijkheid van alles. Niets nieuws onder de zon, zou je denken, in navolging van de Prediker, maar toch werd ik keer op keer getroffen door de wanhoop en de radeloosheid die door de gelikte buitenkant heen stak. Zoals in het slotgedicht, waarin opnieuw de stem van de Prediker klinkt:

Wat voordeel heeft de mens van zijn

gezwoeg?

Hij gaat van gras naar gras in het

moeras

En altijd lacht de regenboog hem uit.

Hij heeft van wassen neuzen nooit

genoeg

En leeft nog steeds in een geleende jas

Als hij uiteindelijk zijn ogen sluit.

Wie hier zopas nog heerste als despoot,

Als wijsgeer of als vrome dominee,

Wie net nog rondliep als spes patriae

Met hooggeveerde tred en blozend-

rood,

Het is niet te geloven, maar allez,

Is dood en dood en dood en dood en

dood.

Komrij speelt hier met hele en halve citaten, overgeleverde en eigen beelden, gevonden en verzonnen wijsheden. De eerste regel is een citaat (Pred. 1:3) en in regel 2 klinkt Jesaja 40: 6 mee (`Alle vlees is gras'), maar dat lekker rijmende `moeras' is apocrief. Met de regenboog kan in dit verband nog naar het bijbelse teken des verbonds (tussen God en de mensen) zijn verwezen, maar dat uitlachen is nieuw. Ook de neus van was en de geleende jas, in regel 4 en 5, klinken wel enigszins bekend, als uit een bijbels of (neo)platonisch geschrift genomen, maar ze zijn dat geloof ik niet. Intussen loopt het, voor wie dat nog niet wist, niet zo goed af met de mens. Hij heeft een leven lang nutteloos gezwoegd, hij is uitgelachen, misleid en bedrogen als de dood alweer aanklopt, in regel 6, als het gedicht nog maar op de helft is.

Wat daarna volgt zijn louter afleidingsmanoeuvres en uitstelbewegingen. Het leuke rijm, van `gras', `moeras', `was' en `jas', wordt nog even voortgezet in `zopas'. Nog leuker is het buitenlandse rijm, of hoe noem je dat, in `dominee', `spes patriae' en `allez'. Let ook op al die lange oo-klanken, het opzichtig allittereren, het nog opzichtiger gebruik van allerlei binnenrijmen en de ingewikkelde, attentievragende, opstapelende, uitstelbevorderende zinsbouw vanaf regel 7. Het vestigt allemaal de aandacht op de vorm, het probeert allemaal zo lang mogelijk de aandacht af te leiden van die ene onontkoombare dooddoener: dat alle mensen zullen moeten sterven. Die waarheid wordt uitgedrukt in wat mij de mooiste regel van het gedicht lijkt: de laatste. Vijf maal klinkt daar de grote waarheid, het grote slotakkoord van ieder leven, maar ook vijf maal de onmacht van de dichter met zijn mond vol tanden. Ze liggen dicht naast elkaar, zoals meestal bij Komrij: flauw geintje en hogere humor, zwaktebod en sterke vondst, toppunt van rijmelarij en allerdiepste waarheid.

Het is niet moeilijk hier, aan het eind van het gedicht en aan het eind van de bundel, ook in de vorm een mededeling te horen. Vijfmaal een jambe. Dat is vijfmaal de hamerklop waarmee de deksel op de kist wordt gespijkerd. Of vijf afscheidsroffels, van gene zijde.

    • Guus Middag