Uit niets naar niets

Huub Kerstens wilde weten waar het heelal eindigt en stierf een eenzame dood. Zijn collega Peter te Nuyl voltooide `Creon'. `Waarom toch Huubs halsstarrige weigering de opera in de laatste maten te laten jubelen?'

Creon, naar Sophocles, is de eerste opera van componist en dirigent Huub Kerstens. De opera bleef ontvoltooid: van de drie akten bleef de derde ongeschreven. Zaterdagavond gaat de opera in première in het gloednieuwe Rabotheater in Hengelo. Door zijn onverwachte, vroege dood in het begin van 1999 zal Kersten zelf geen getuige zijn van de opvoering van het werk, waaraan hij jaren geleden begonnen.

Kerstens liet van die twee akten niet slechts schetsen of een uittreksel voor piano, maar een volwaardige partituur achter. Voor het libretto is regisseur Peter te Nuyl verantwoordelijk. Beiden, componist en tekstschrijver, waren al lange tijd geboeid door Creon, heerser over het antieke Thebe, die zijn nichtje Antigone ter dood veroordeelt. Hij is een tragisch personage, innerlijk verscheurd, want hij moet kiezen tussen wet en emotie, tussen gezag en familieband.

,,Huub Kerstens had het plan de opera op te blazen, aan scherven te laten vallen. Alles wat zweemde naar traditie moest kapot'', zegt Peter te Nuyl, die nu alleen voor de taak staat Creon te herscheppen. Van begin af heeft Kerstens zich verzet tegen een traditionele, romantische opera. Zo weigerde hij het slotakkoord als boem paukenslag! te laten klinken. Hij verlangde ultieme verstilling, klanken die uiteindelijk onder de gehoorgrens komen en wegvloeien.Zojuist woonde ik een repetitie bij in de schouwburgzaal van Hengelo. Er is nog geen orkest, een pianist speelt de partituur. Kerstens' muziek heeft een bezwerende zeggingskracht. Betoverend mooie, lyrische passages en lang volgehouden melodische lijnen worden abrupt onderbroken door explosies van geweld, driedubele slagen op het klavier. Forte, forte! Het weidse decor is blauw, leeg. De zusters Ismene en Antigone sjorren aan het lijk van Oedipus, een van de gedoemden uit het helse huis Labdakos. Creon (Roberto Salvatori) staat terzijde van deze handeling. Hij kijkt toe.

Polyneices komt op, een van Oedipus' zonen. Hij schreeuwt: `Where is my father? Where is my mother?' Vervolgens rent hij de zaal in. Creon valt woedend uit tegen het orkest en maant de orkestleden op te houden met muziek maken, de dirigent moet zijn stokje neerleggen en de orkestbak verlaten. De vierde wand tussen de verbeelde werkelijkheid van het theater en de zaal wordt doorbroken. Uit de zeeblauwe achtergrond zweven zwarte, zijden draperieën aan die het theaterlicht verduisteren. Ze vallen neer over het toneel, sluiten zich boven de personages. Het finale niets. Zonsverduistering. Uit acht luidsprekers, die rondom de toeschouwers staan opgesteld, klinkt een bandopname die Kerstens zelf maakte. Het gillen van iemand die neergestoken wordt, gedruis als van honderd trommels, ijzig en angstwekkend. Deze scène, Eclips genoemd, eindigt in een nacht van ongenade en ongeluk. Creon zingt met diepe, dreigende stem de omineuze woorden: `This is the final act. There will be no more act after this.' Geleidelijk neemt het volume af. `Morendo' is hiervoor de muzikale aanduiding. Wegstervend.

Vernietigen

Te Nuyl vervolgt: ,,Huub Kerstens wilde een klassieke tragedie componeren, maar wat hem hinderde was de perfectie van de vorm. Al gaan helden bloedend ten onder, al worden ze neergestoken, steken ze zichzelf, als Oedipus, de ogen uit, de taal en de vorm blijven altijd intact. In het eerste gesprek al stelde hij voor de vorm te vernietigen. Aanvankelijk kon ik me daarin moeilijk schikken. Ik ben klassiek geschoold. Dat was Huub trouwens ook. In zijn beginjaren als dirigent voerde hij oude muziek uit op authentieke instrumenten. Zelf was hij hoornist. Hij beschikte over een fabelachtige muzikale kennis. En toch moest de hele muziekliteratuur door de gootsteen. Bij ons speelt het stuk zich niet af in Thebe of Kolonos, maar in een theaterzaal die door de goden is verlaten. Huub wilde de muren van het theater afbreken en vervolgens een nieuw begin maken. Maar eerlijk gezegd was hij daarvoor te veel een pessimist. Sophocles maakte van Oedipus een held en van Creon een lafaard. Wij ontwikkelden een andere visie. Oedipus verstootte koningin Jocaste, zijn moeder en echtgenote. Hij verkrachtte haar. In deel drie, zoals het mij voor ogen staat, herstelt Antigone de macht, ze wordt de nieuwe koningin. Creon is de vernietiger van het theater. Daarin was Huub extreem, maar het bracht hem ook tot wanhoop, want als je iets kapot laat gaan moet je het ook weer herstellen.

,,Ik zei tegen Huub: `Als je diep in het dal zit, moet je terugklimmen, omhoog.' Dat deed hij door tegen het slot van de tweede akte archaïsche muziek voor een herderlijk snaarinstrument te componeren. Die klanken verwijzen naar Orpheus in het derde deel. Orpheus is de bemiddelaar tussen goden en mensen. Met zijn toverachtige liedkunst kan hij rivieren laten omkeren in hun bedding, zijn zang doet bomen buigen. Dus kan hij ook de mens redden en hem het geloof in de goden, in een zinvolle wilsbeschikking, teruggeven. Maar Huub kon zich met geen mogelijkheid vinden in mijn optimistische voorstel. Hij riep bijna verontwaardigd uit: `Dan zou de eerste opera van Huub Kerstens eindigen in C-majeur! Ondenkbaar.' Nu, als hij nog leefde, zou ik hem talloze vragen willen stellen. Waarom toch die neiging tot destructie van de operavorm? Vanwaar die halsstarrige weigering de opera in de laatste maten te laten jubelen in triomfantelijk majeur, in C-groot? Hij kon niet anders dan tornen en sjorren aan de grens van het medium. Hoeveel spankracht bezit de opera? - dat wilde hij weten. Ik denk dat diezelfde nieuwsgierigheid naar de grens van de opera zijn levenshouding bepaalde. In zijn muziekstuk Heart of Darkness,naar de roman van Joseph Conrad, nam hij slechts die passages op die over de dood gaan. Hij was een uitnemend lezer van teksten. Soms kon hij met wat ik had geschreven geen kant uit, dan vroeg hij zelfs `welke noten moet ik hier schrijven?' Uiteindelijk kwam ik erachter dat hij de scène dramatisch niet sterk vond.

,,Ik kon me niet vinden in dat nihilisme. Na zijn dood heb ik het derde deel geschreven, bij wijze van hommage aan Huub. Daarin hebben Creon en Antigone een lange samenspraak. In Creon zou je de componist Kerstens kunnen herkennen, in Antigone mijzelf. Ik wilde de dialoog met Huub voortzetten. Zo zegt Creon keer op keer over de uitzichtloze situatie: `The Gods left Thebes long ago. The Gods are dead. Chaos is all there is.' Waarop Antigone verwachtingsvol repliceert: `Creon, hear that music! This is the end of power and revenge. This is the end of cynicism. I will give Thebes music beyond words.' Daarop zijn de laatste woorden van Creon, en van de opera: `Sentimentalities!' Heeft Huub toch nog het slotakkoord.

,,Het is onwaarschijnlijk moeilijk zonder hem aan deze opera te werken. Je kunt je zelfs afvragen of die derde akte er, als Huub was blijven leven, wel ooit was gekomen. Mogelijk was het conflict onoplosbaar. Ik kan alleen hopen dat hij op de avond van de première meeluistert.''

Waterlijn

Enkele dagen later oefent Het Nederlands Balletorkest in het Muziektheater aan de Amstel. We bevinden ons in een diepe kelder onder de waterlijn. De solisten zijn naar Amsterdam gereisd. Het zangkoor van de Nationale Reisopera is aanwezig. Dirigent Thierry Fischer neemt de tweede akte door, de kapot-maak-scène. Wat eerst op de piano klonk, krijgt door het orkest volume, kracht en drama. Fluweelzachte glissandi van de strijkers, gecomponeerd in een intens volgehouden diminuendo, vinden hun tegenklank in brute, snoeiharde percussie. Sopraan Susan Narucki zingt: `This house is doomed by the Gods.' Zij was goed bevriend met Kerstens. Na afloop vertelt ze een herinnering: ,,Hij bezat een telescoop waarmee hij 's nachts urenlang naar het universum tuurde, de hemellichamen volgde, sterren bespiedde. Hij zei dat hij wilde weten waar het heelal eindigt. Zo ervaar ik zijn composities ook. Als planeten die uit de leegte verschijnen en daar weer in verdwijnen. Ik geloof niet dat hij een destructief iemand was, al gaat er in Creon veel stuk. Hij kwam een keer terug van vakantie. De kranten van drie weken lagen te wachten. Ik zei dat hij ze beter kon weggooien, maar hij antwoordde: `Ik moet ze allemaal lezen. Ik moet weten wat er is gebeurd.'''

Een van de opmerkelijkste muzikale aanwijzingen in veel composities van Huub Kerstens is `da niente' en `al niente'. Uit het niets naar het niets. Van zacht ingezet crescendo via forte naar een ingetogen decrescendo. Totdat de stilte weer intreedt. Het is muziek van verglijdende kleuren. Van schrille samenklanken en etherisch verijlen. Kerstens vond een treffend beeld voor zijn muziek. Die moest klinken `zoals 's nachts een lege boot wegdrijft over een donker kanaal'.

Zwartgeteerd

Het kan niet anders of Kerstens verwees naar zijn eigen woonschuit, de Generaal Praag, een buitensporig groot schip van vijftig meter dat aangemeerd ligt aan de oever van de Amstel, in de richting van de Berlagebrug. Het zwartgeteerde, voormalige vrachtschip ligt er nu verlaten bij. Een ovalen naamplaatje van dof uitgeslagen koper siert de deur die toegang geeft tot het immense ruim. Twee jaar na de dood van de componist heeft de boot nog geen nieuwe bestemming gevonden. Ernaast ligt Kerstens' eerste onderkomen, toepasselijk Ludwig Van geheten. Jarenlang woonde en werkte Kerstens hier in een ruimte die, net zoals de kelder van het Muziektheater, onder de waterlijn ligt. Hij beschikte over een omvangrijke muziekbibliotheek, een eigen studio met geavanceerde apparatuur, een vleugel die hij met zijn kolenschoppen van handen bespeelde. Te Nuyl ging vaak luisteren naar de vorderingen van Creon, niet altijd begrijpend waarheen de componist wilde. Hij bezat een arsenaal aan geluiden en effecten, die hij soms mee liet klinken.

Kerstens, afgestudeerd aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, leidde tussen 1975 en 1984 vier Amsterdamse studentenkoren. Hij was dirigent van het Xenakis Ensemble, het Koor Nieuwe Muziek, het Kamerkoor Nieuwe Muziek, het Gaudeamus Ensemble en het Ensemble Nieuwe Muziek. Dank zij Kerstens onstuitbare energie en creativiteit kreeg de nieuwe muziek in Nederland bestaansrecht. Honderden koorwerken dirigeerde hij. Zijn muzikale oeuvre telt zo'n zestig opusnummers. Bovendien leidde hij de befaamde Meezing-Matthäus in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk, door velen beschouwd als `diep ontroerend' en `een godswonder'. Bij aanvang reikte Kerstens, die van katholieke huize is, aan de bezoekers tien geboden uit, waarvan er één luidde: `Altijd blijven kijken naar de dirigent.' Kerstens was een begenadigd dirigent die de zangers het gevoel gaf boven zichzelf uit te stijgen. Over zijn stijl zei hij eens: `Ik sla zo duidelijk als een deur.'

Kerstens verwijlde lang in de schaduw van het Nederlandse muziekleven. Hij hield zich afzijdig. Pas op latere leeftijd werd zijn ambitie te gaan componeren onontkoombaar. Toen Te Nuyl hem vroeg waarom hij zo aarzelde, antwoordde hij: `Er is maar één regel die ik van muziek had willen voorzien, en dat heeft Mahler al gedaan, in Das Lied von der Erde: `Dunkel ist das Leben/ ist der Tod.''

De titels van Kerstens composities getuigen van een hang naar zwarte romantiek, naar eenzaamheid en dood. Zo schreef hij La Mort, een indringend stuk voor 5-stemmig gemengd koor en orkest, op teksten van Flaubert en Chateaubriand. De koorleden zingen regels als: `... moet ik dan niet concluderen dat de mensen van de dood houden met een verterende liefde?' En ook: `Sterveling, de tijd van je grote reis is nog niet gekomen; wacht tot de wind van de dood opsteekt, dan zul je uitvliegen naar onbekende streken waar je hart naar verlangt.' Te Nuyl: ,,Hij zocht een oplossing voor de essentiële levensvragen door te verwijzen naar de dood.''

De allereerste muzikale aanwijzing in de partituur van La Mort luidt: `morbido'. Morbide, luguber. Inderdaad, uit het niets komt verstild, bijna onhoorbaar maar allengs met meer kracht, de sonore toon van een trompet te voorschijn. Als de lokroep van de dood. Een van zijn geliefde dichters was de Duitse expressionist Georg Trakl. Zijn poëzie inspireerde hem tot koorwerken als Schweigsam über der Schädelstätte öffnen sich Gottes Goldenen Augen.

Met die laatste compositie wijdde Kerstens de heropening in van de Oude Kerk in Amsterdam. Hij vond in Trakls dichtregel een mooie metafoor voor het gebouw. De gouden ogen van God verbeelden de grote ramen van de kerk die in het zonlicht opglanzen en telkens van kleur wisselen. En die ogen kijken neer op de vele marmeren grafstenen in de vloer, `die Schädelstätte'. Voorts zette Kerstens een vers van Roemer Visscher op klank, opnieuw met een veelbetekenende titel: Als ghy van de Doodt sult zijn verbeten.

Onheil

Creons uitroep `This is the final act' verandert, onbedoeld, in een onheilspellende vooruitwijzing, want de volgende akte kwam er dus nooit, het `final' klopt. Kerstens werd een `Frühverstorbene', zoals uit het gedicht van Trakl. In een van zijn laatste levensmaanden, volop werkend aan de opera, verzuchtte hij tegen Peter te Nuyl: `Ik weet niet hoe het nu verder moet. De musici zijn de bak uit, er wordt niet meer gezongen. Het einde is al bereikt. Hoe komen we in godsnaam tot de derde akte?' Creon, Ismene, Antigone, Oedipus en de anderen uit het huis Labdakos had hij van de Bühne verjaagd. Zelden ging een opera zo symbolisch aan scherven.

Wanneer iemand plots aan zijn einde komt, dan krijgen de voorgaande dagen, zijn laatste uitspraken, laatste woorden en handelingen een dwingende betekenis. ,,Zijn dood was geen zelfmoord,'' zegt Peter te Nuyl. Kerstens gold als een man met een gulle lach. Hij bezat grote levenslust en een stralend karakter. Althans, dat was de zijde die hij toonde aan de zangers, zangeressen en koorleden, aan het publiek. Een levensgenieter, een vitalist. Maar hij beschikte ook over een donkere, zelfs raadselachtige kant. Zijn levenslust is, op paradoxale wijze, de oorzaak geweest van zijn dood. Op de avond van dinsdag 23 februari 1999 verzuimde hij een repetitie. Dat was nooit eerder gebeurd. Een lid van het Koor Nieuwe Muziek ging de volgende ochtend naar Kerstens' woonschip. De afwezigheid van de dirigent die avond ervoor had hem verontrust. Aanvankelijk luidde het bericht dat hij door een ongeval ofwel valpartij in het ingewikkelde ruim van de Generaal Praag vol trappen was omgekomen. Maar Kerstens bleek gestikt, in een wrang, noodlottig seksspel. Maar hij was alleen op die boot. Hij had grenzen opgezocht. Was hij niet alleen geweest, dan was de dood vermoedelijk niet gekomen. Kerstens leefde onophoudelijk in een flirt met gene zijde. Hij wilde niet dood, daarvan is Te Nuyl overtuigd. Onverhoeds werd hij toch de verliezer.

Op de ochtend na zijn dood reed Peter te Nuyl langs de Amstel, kwam voorbij het woonschip. Even overwoog hij aan te kloppen, maar vervolgde zijn weg. Thuisgekomen vond Te Nuyl op zijn antwoordapparaat het bericht dat Huub Kerstens was overleden.

Creon door de Nationale Reisopera. Première 21/4 Rabotheater, Hengelo. Aldaar ook 22/4; Den Bosch, Theater aan de Parade 24/4; Eindhoven, Stadsschouwburg 25/4; Rotterdam, Schouwburg 27/4; Utrecht, Stadsschouwburg 1/5; Amsterdam, Stadsschouwburg 9/5. Inl.: 053-4321882.