Perfiditeit van hogere orde

Voor menig politicus werd een vraaggesprek met journalist Joop van Tijn een afrekening. Toch kwamen ze altijd bij hem terug. Een grootmeester in een smadelijk maar mooi beroep.

Het verzamelen van oud journalistiek werk heeft iets van archeologie. De potscherven en stukken van oude roemers die de archeoloog vindt, hebben voor de gemiddelde, niet-geïnformeerde beschouwer weinig aantrekkelijks, het zijn en blijven op het eerste gezicht waardeloze objecten, verouderd en meestal nog stuk ook. Hun betekenis krijgen ze pas in de ogen van de geoefende beschouwer, iemand die weet waar ze voor staan: een manier van leven, een cultuur.

Zo is het ook met de hier verzamelde stukken van Joop van Tijn (1938-1997), sterjournalist en middelpunt van het weekblad Vrij Nederland in zijn gloriedagen. Het interview was zijn specialiteit, en dan — al zou je dat in deze verzamelbundel waarin ook wielrenners en voetballers figureren niet zeggen — vooral het politieke interview. Joop van Tijn was een instituut, en vooral in de jaren zeventig was Vrij Nederland, als het zelfbenoemde `geweten van links' ook een instituut. Niet alleen door Van Tijn, maar ook door andere interviewers als Bibeb.

Potscherven

Goed dat deze stukken, vier jaar na het overlijden van hun schrijver, verzameld zijn. Maar het boek vertoont helaas veel, al te veel gebreken. Zelfs de mooiste teksten, ben ik bang, blijven zielloze potscherven voor wie de jaren zeventig niet als politiek geïnteresseerde heeft meegemaakt en Vrij Nederland heeft gelezen.

Want wie, jonger dan vijftig, weet bijvoorbeeld nog wie Beernink was, aan wie het naar mijn smaak mooiste stuk in de bundel is gewijd, dat uit 1971 dateert. Zoals vaak bij werkelijk grote journalistiek is de feitelijke inhoud van het interview flinterdun: een beetje napraten over het stemmenverlies in 1971 van de Christelijk Historische Unie met de voormalige voorman van deze partij, die zich in mei 1971 voor het lijsttrekkerschap gepasseerd zag door Udink.

Het stuk is een afrekening, waarin Beernink met welhaast bijbelse doortraptheid analyseert waarom zijn rivaal van het lijsttrekkerschap niets gebakken heeft. Centraal hierin staat een kras staaltje verkiezingspropaganda van Udink. Als vertegenwoordiger van de CHU, een van de componenten van het latere CDA en een van de meest bedaagde politieke partijen die het doorgaans toch al rustige Nederland gekend heeft, had hij zich namelijk met een soort Beatle-pruik op een dag — en nacht — onder de Damslapers begeven, hippies die enkele jaren lang het nationale oorlogsmonument als huiselijk uitgangspunt voor het alternatieve leven namen. Udink, in een poging het verstofte imago van de CHU te bestrijden en aansluiting bij de tijdgeest te vinden, had zich — naar ik meen door De Telegraaf — met pruik en al laten fotograferen, in gezelschap overigens van de freule Wttewaall van Stoetwegen, een der gestaalde kaders van de partij.

Deze actie ontmoette in de traditionele aanhang van de CHU, waar de opening van het gemeentezwembad op zondag op lokaal niveau tot de scherpste punten van politieke strijd behoorde en waar men, volgens de principes van de zuilen waarin de samenleving destijds nog verdeeld was, de landelijke politiek in blind vertrouwen aan de voorlieden in Den Haag overliet, weinig begrip. Beernink doet daar in het interview zijn voordeel mee.

Een prachtig stuk, maar hoeveel hedendaagse lezers weten überhaupt nog wat de CHU was? Een verklarende voetnoot hier en daar, of een korte inleiding, had hier wonderen gedaan. Dat geldt ook voor de drie, historisch belangwekkende interviews met Dries van Agt in dit boek.

Het is van belang om te weten dat de kleurrijke politicus die hier door Van Tijn wordt neergezet, voor de linkse gemeente waarvoor Vrij Nederland schreef, zo'n beetje de antichrist was. En nog een zich in merkwaardig archaïsch Nederlands uitdrukkende clown ook, wiens politieke carriére – Van Tijn schrijft zelfs wraakzuchtig dat Van Agt zich in 1977 het premierschap heeft `toegeëigend', als ware Van Agt een Latijns-Amerikaanse dictator — dus des te irritanter was.

Van Agt heeft in een van de interviews trouwens een briljante verklaring voor de haat die hij, in het bijzonder in de linkse pers, opwekte: `Ik denk dat de parlementaire journalistiek zich door mijn optreden ook gedevalueerd voelde. De parlementaire pers beschouwt zich immers als de maan van ons aardbewoners. Zij ontleent haar licht aan de zon. Als je de zon verduistert, worden de maanbewoners boos, een beetje lunatic. Ik denk dat het zo werkt. De parlementaire journalisten hebben hun leven gewijd aan het beschrijven van al wat leeft in de politiek. Daaraan ontlenen zij de glorie van hun beroep. Du moment dat het door hen beschrevene wordt gerelativeerd, wordt ook de waarde van het beschrijven verminderd. Ze voelen zich door mij gedevalueerd tot een soort voetbalverslaggevers.'

Deze boutade, maak ik me sterk, zou Van Tijn niet zo uitvoerig hebben opgenomen wanneer er niet ook bij hem een snaar werd geraakt. Journalistiek, en ook parlementaire journalistiek is immers in menig opzicht een dienend, om niet te zeggen een beetje lullig beroep. Je staat daar maar met je opschrijfboekje, hengelend of een van de machtigen der aarde je misschien te woord zou willen staan, zodat je je broodwinning kunt beoefenen.

Het is een in veel opzichten smadelijke situatie, waartegen een aantal traditionele compensaties denkbaar is. Eén daarvan is de gedachte dat je als journalist wel degelijk invloed hebt, of politiek inzicht waaraan de door partijbelangen verblinde politici zelf niet kunnen tippen. Het is deze mentale verdediging van het journaille waar Van Agt op doelt.

Wantrouwen

Een andere strategie is om jezelf voor te houden, dat je de koene tegenstander bent van degenen van wier goedertierenheid je zo afhankelijk bent. Het controleren en wantrouwen van de macht is dan het parool, waarbij in de tijd van Van Tijn de ideologie een grotere rol speelde dan in de huidige, nu de zorg om bonnetjes, doelmatigheid en versprekingen de plaats van zorg om meeslepende politiek lijken te hebben overgenomen.

Deze fundamentele antithese tussen de journalist en de politicus is, denk ik, wat Van Tijn deed tikken. Hoe is het anders te verklaren dat hij excelleerde in het interviewen van christen-democraten, terwijl een vraaggesprek met de politiek verwante PvdA'er Joop den Uyl relatief zo slapjes uitpakte? Christen-democraten waren ontegenzeggelijk Van Tijns specialiteit, waarin hij grote hoogten bereikte: hij liet hen vraaggesprekken na lezing goedkeuren waarin ze zichzelf ongelofelijk in de kaart lieten kijken, zichzelf belachelijk maakten of zelfs aan de schandpaal nagelden. En na afloop, als de stormen weer enigszins waren bedaard, leken ze nog maar één wens te hebben: opnieuw door Van Tijn geïnterviewd te worden.

Een journalist die in staat was tot zoveel perfiditeit van een hogere orde, en voor het schone doel van de journalistiek, had naar mijn smaak een betere behandeling verdiend dan het flauwe hagiografische opstel waarmee deze bundel opent. Het nadeel van een grote geest, zoals Van Tijn was, is soms dat die op zijn omgeving verlammend kan werken: enerzijds was hij door zijn voorbeeld en veeleisendheid een zegen voor de andere redacteuren van Vrij Nederland, anderzijds willen zulke sterke persoonlijkheden nogal eens het opbloeien van nieuwe bloempjes op een redactie in de weg staan.

De moeizame geschiedenis van het weekblad in de laatste jaren laat zich daardoor mede verklaren, en mij dunkt dat daar — vier jaar na Van Tijns overlijden — door de inleider wel iets zinnigs over gezegd had kunnen worden. Ook over allerlei smeuïge details van Van Tijns persoonlijk leven — waarover weinig in het publieke domein bekend is — had wel iets onthuld mogen worden. Zijn grote talent hing immers samen met zijn persoonlijkheid, en persoonlijkheden laten zich nu eenmaal zelden met vrucht uitsluitend in hun eerbare aspecten belichten.

Joop van Tijn: Meester op het floret. Bezorgd en ingeleid door Chris van Esterik. Met een nawoord van H.J.A. Hofland.

Balans, 342 blz. ƒ45,–

    • Raymond van den Boogaard