Ons aller wantrouwen

Literatuur staat hoger aangeschreven dan ooit. Zo hoog zelfs, dat ze niet meer bevrijdt uit de werkelijkheid, maar de lezer – en de criticus – opsluit in de verbeelding.

Pleidooi voor een terugkeer naar het leven.

Zoals elke wereld kent de wereld van de literatuur een wemeling aan ongeschreven codes. Er zijn do's en don'ts en mots du jour, men geeft elkaar Geheimtips, schrijvers raken in en uit, en is hij nou een echte schrijver of een bestsellerauteur of kan dat samengaan? Geldt Gombrowicz nog altijd als het hoogste of mag je inmiddels zeggen dat je er niet doorkomt, hoe moet je dat zien?

Vermoeiend, ja. Je zou soms willen dat het niet bestond, dat angstige verkeer rond pikordes en modes. En toch is het belangrijk, want het is de enige manier om in een zekere gezamenlijkheid vast te stellen waar het in de literatuur om draait, of op zijn minst zou moeten draaien. Wat je aan een boek moet hebben.

Maar nu het gekke. Naast die waardebepalende rituelen rond de literatuur zijn er nog tal van rituelen waaraan helemaal niet af te lezen valt waar ze toe dienen. Ze bestaan gewoon. Ze zijn ooit op de een of andere manier gegroeid of aangeslibd of ingesteld en iedereen herkent ze als verklaringen van liefde voor de literatuur, dus niemand kijkt er nog van op. Maar wat je er aan hebt?

Ik geef drie voorbeelden.

Zo kent de literatuur de liefhebbers die antiquarisch oude drukken aanschaffen en in een notenhouten kast met glazen deurtjes plaatsen, waar ze veilig zijn voor stof en vocht en toch mooi in het zicht staan. Zij bezitten boeken om in de hand te houden en te voelen maar niet om te lezen. Dat geeft beschadigingen. Lezen, dat zou zonde zijn.

Vooral de trots die daarin doorklinkt doet je even stilvallen. Het is een vorm van liefde voor de literatuur die zich heeft losgemaakt van het genieten van de literatuur. Zoiets als Heilig-Hartbeelden verzamelen terwijl je nergens in gelooft, of op de foto gaan met een beroemdheid die je niets zegt. Onschuldig tijdverdrijf, maar waarom zou je?

Dan zijn er de liefhebbers van wie je altijd hoort dat literatuur uiteindelijk om niets dan stijl gaat. Stijl, dat is tenslotte de mens zelf, l'homme même, daar zit de hele schrijver in, je voelt zijn adem in de woorden. Neem die komma bij Krol die bij de derde druk verplaatst is, wat die zin ineens een hele nieuwe zwieper geeft, dat is toch meesterlijk!

Ook hier weer dat onnavolgbare vuur voor – ja, voor wat. Natuurlijk, zonder stijl gaat het niet voor een schrijver, het is in de stijl dat zijn verhalen vorm krijgen. De wijn drinkbaar dankzij het glas. Maar met dat glas alleen ben je er niet, want dan ontbreekt de wijn waar het uiteindelijk om ging en heb je niets anders in handen dan een ornament voor in een kast met glazen deurtjes.

Ten slotte, als een overtreffende trap van de vorige, zijn er de liefhebbers die hun eigen woorden graag doorsnijden met citaten uit de wereldliteratuur. Gewoon in een gesprek, maar vaak ook in geschrifte, want je treft ze vaak aan onder schrijvers van beschouwelijk proza. Denk aan iemand als Antoine Bodar, de schrijvende priester, of A. Dunning, de erudiete medicus, of Marjoleine de Vos, in haar column in deze krant.

Het verwonderlijke daarvan is dat die citaten zelden iets te zeggen hebben wat de spreker zelf niet ook al zei. Ze formuleren slechts 't zelve anders, om Hans Warren te citeren, die een van zijn latere gedichtenbundels deze titel gaf, verwijzend naar een vroege bundel die aan herformulering toe was, en alleen zo'n klein citaat al laat meteen zien wat van die citeerdrift het gevolg is. Het maakt je niet korter van stof. Want zo'n frase is wel mooi en vol allusies, maar daardoor ook weer zo cryptisch dat je er iets bij moet zeggen voor ze iets gaat zeggen. Dus opnieuw, waarom zou je dat willen?

Omdat je een snob bent, dat is waarom. Omdat je goeie sier wil maken. Literatuur is, zoals alle kunsten, ingewikkeld en toch schijnbaar nutteloos en dus perfect om je te onderscheiden van wie de verfijning of de tijd er niet voor heeft. Literatuur maakt je lid van de leisure class, nog steeds. Je wilt erbij zijn.

Maar dat lijkt me niet het enige. Deze voorbeelden getuigen van de overtuiging dat er ook echt iets gebeurt, als je erbij bent. Ook al lees je nooit een woord in al die antiquarische uitgaven, ze doen iets voor je. Ook al blijft de liefde voor de stijl betekenisloos, ze geeft je toch iets extra's mee. En ook al zeggen die citaten niets wat je ook zelf niet zei, ze stralen op de een of andere manier toch op je af. Je groeit er een paar centimeter van, je rug trekt recht, de kleuren van je aura gloeien op.

Dat is een van de onvermoede bijverschijnselen van de literatuur. Ze heeft een werking die zich nog het best laat vergelijken met die van een fetisj. Juist als lege, nutteloze vorm, zo dood als een stuk hout, brengt haar aanwezigheid iets magisch met zich mee. Ze geeft je het gevoel dat je contact krijgt met iets hogers, of je nu gelovig bent of niet – misschien wel juist als je dat niet bent en toch naar zoiets verlangt.

Dat klinkt nog altijd als snobisme, maar dat is het niet alleen, want de literatuur hééft natuurlijk ook echt iets te delen wat met enig recht als hoger te omschrijven valt. Een complete wereld naast de alledaagse, die van de verbeelding, een onmetelijke ruimte waar je in kunt stappen en zelfs lang in kunt verblijven. In verhalen kun je wonen, in de vrolijke brochuretaal van leesbevorderaars, die jammer genoeg toch nooit helemaal op kan tegen Jan Schaefers In gelul kun je niet wonen.

Het verrukkelijke van die woning is dat je die zelf kunt inrichten, precies zoals je wilt, met de verhalen die je het gelukkigst maken. Je kunt je terugtrekken in een omgeving waar alles kan en voor je open ligt — en dat is denk ik wat die nutteloze leegte van een literaire fetisj je laat voelen, als je op een doodgewone dag omringd bent door de eisen en beperkingen van het bestaan. Ik ben wel hier, maar eigenlijk ook ergens anders. Je onttrekt je aan het leven, zweeft er bovenuit en kijkt omlaag en bent bevrijd.

Dat te kunnen voelen is voor mij misschien wel het meest overheersende motief geweest om bij de literatuur te willen horen. Ik was nooit zo sterk gehecht geraakt aan boeken en verhalen als ik niet zo graag ontsnapt was aan het leven om me heen. `Some say life is the thing,' zoals Ruth Rendell ooit zei, `but I prefer reading.'

Misschien ligt daar zelfs wel de bron van alle liefde voor de literatuur. Niet voor niets zie je die bij de meeste mensen wakker worden rond hun zestiende, op de bevattelijke leeftijd, als de wereld voor het eerst een beetje opengaat en onverhoeds het aanzien blijkt te hebben van een koudblauw landschap, onverschilligheid alom, geen levend mens te zien, alleen een bordje met daarop in grote letters: TOEKOMST. In die noodtoestand verandert lezen plotseling van schoolwerk in een overlevingsstrategie – laat mij ontsnappen, beam me up, geef mij een toevlucht in de wereld van de woorden.

Je ziet dat altijd ook zo prachtig bij de jongens, meestal zijn het jongens, die schrijver willen worden en daartoe een nieuwe stroming in het leven roepen. Ze verkeren steevast in de overtuiging dat de literatuur tot dusver niet goed heeft verwoord hoe onze wereld er echt uitziet. Het moet anders, het moet echter, schrijvers moeten de werkelijkheid in zijn vuile muil durven te kijken, en dat zullen zij gaan doen. Maar wel in groepsverband, elkaar bevestigend in hun verwantschap, schrijvend in een eigen tijdschrift, levend tussen eigen woorden, op maximale afstand van de werkelijkheid.

In de kern zie je die houding ten slotte ook weer terug bij het soort schrijvers die een Leven voor de Literatuur in zijn meest zuivere vorm nastreven. Bij de symbolisten van de negentiende eeuw om te beginnen, het klassieke voorbeeld, met hun spleen en hun chapelles, waar ze als ingewijden samenkwamen om hun verzen zacht en zangerig aan elkaar voor te dragen, in gedeelde eenzaamheid. Teruggetrokken in de wereld van de woorden, waar de echte wereld niet te na kon komen.

Maar het is misschien geen toeval dat die symbolisten in de literatuurgeschiedenis vooral zijn opgenomen als vertegenwoordigers van een idee van wat literatuur zou kunnen zijn, meer dan als schrijvers van concrete boeken. Mallarmé, wie zou dat lezen? Huysmans gold in de jaren zeventig ineens als cultlectuur die zo mooi samenging met art nouveau-posters van Verkerke aan de muur, maar wat blijft ervan over?

Dat is de teleurstelling van dit soort literatuur. Het is een kunstvorm die zich door de werkelijkheid niet wil laten raken en zich er daardoor ook niet meer mee kan voeden. Een gesloten circuit van taal dat elke dreiging van het leven uitbant en daarmee zo ongeveer het leven zelf uitbant. Een vacuüm gezogen kunst – en dat maakt een leven voor de literatuur in de praktijk ineens niet meer zo verleidelijk. Het biedt een woning in de wereld van verhalen, maar die woning blijft bij alle schoonheid onheilspellend leeg. Er is geen leven daar, het is uiteindelijk geen woning maar een graf. Je legt jezelf onder een steen nog voor de dood je daar kan krijgen.

Ik ben daarom gaan vinden dat de literatuur ons aller wantrouwen verdient. Ze staat hoog aangeschreven in het leven, krijgt daardoor de kans zo vurig in zichzelf te gaan geloven dat ze zich ten slotte voor dat leven afsluit, en vervalt voor je het weet tot een onleefbaar isolement. Niet langer een bevrijding uit de werkelijkheid, maar een gevangenis van de verbeelding.

Goede literatuur begint daarom bij argwaan tegen zichzelf. `Literatuur is 's schrijvers liefhebbende vijand, warm als een moeder', schreef Frans Kellendonk in een van zijn vele waarschuwingen tegen de vergoding van de kunst, `zij wil hem altijd smoren in haar krachtige armen.' Literatuur moet tegen zichzelf in durven denken – wat natuurlijk sowieso de enige interessante manier van denken is, omdat het de enige manier is om je los te maken van wat je al dacht, en om iets te ontdekken.

Je ziet dat in het oeuvre van Paul Valéry, een literator die zich onverzoenlijk tegen de literatuur verzette. Zijn alter ego Monsieur Teste heeft alle boeken en papieren uit zijn zicht gebannen, in de overtuiging dat die hem alleen maar in de weg staan bij zijn zoektocht naar het ware in het leven. En je kunt nog verder gaan. Socrates verklaarde het geschreven woord in zijn geheel taboe, misschien omdat zijn woorden hem in opgeschreven vorm nog meer problemen zouden geven dan ze toch al deden, maar ook om te voorkomen dat ze zouden stollen tot een dode letter. En Jezus schreef bij zijn leven niet meer dan een enkel woord, in het zand, waar het weer werd uitgewist.

Dat radicalisme is natuurlijk moeilijk vol te houden – je mag blij zijn dat de woorden van Socrates en Jezus door anderen alsnog zijn opgeschreven. Maar dat maakt hun weerzin tegen de verabsolutering van die woorden er niet minder terecht op. Literatuur is geen doel in zichzelf, het is een middel. Literatuur dient niet om aan de werkelijkheid te ontstijgen, maar om erin door te dringen. Niet om aan de wereld te ontkomen, maar om die het hoofd te bieden en het leven daar te dienen.

Zij doet dat door een proefopstelling te ontwerpen, waarin personages in een situatie worden neergezet die hen voor problemen plaatst. In het verhaal dat daaruit volgt ontwikkelen die personages zich en hun problemen met hen, wat na de ontknoping, als het goed is, iets onthult over de menselijke staat en dus een vorm van kennis biedt.

Literatuur is daarmee een voortzetting van de wetenschap met andere middelen. Ze richt zich niet op het domein van de harde feiten, maar op dat van de ervaring, dat te zacht is voor de wetenschap. Ze laat je ondergaan hoe het bestaan er voor een ander uitziet en helpt je daarmee uit te vinden hoe het er voor jou uitziet, hoe je daarin staat, hoe dat anders kan en beter. Art makes life, in de samenvatting van Henry James. Ze helpt je jezelf te scheppen.

Dat vraagt alleen nogal wat van een lezer. Het is niet voldoende om een boek te lezen en te kunnen navertellen, de intrige en de personages, iets over de thema's en de stijl. Je zult het tot je moeten laten doordringen, zintuigen open en nieuwsgierigheid op scherp, en dat betekent dat je de naïviteit moet opbrengen om je te laten raken.

Vervolgens zul je het gelezene ook op een meer verstandelijk peil naar je toe moeten halen. Vragen wat het boek met jou moet en jij met het boek, wat het laat zien en of je dat al eerder zag. Of je de dingen eigenlijk wel goed zag. Je zult schaamteloos en egocentrisch aan jezelf moeten denken, ik, ik, ik, want jij en niemand anders bent de maat der dingen hier.

Doe je dat allemaal, dan word je soms beloond met datgene wat het uiteindelijk bestaansrecht van de literatuur is: dat je er anders uitkomt dan je binnenging. Dat je er een ervaring aan ontleent die zo indringend is dat die in zekere zin werkelijk voor je wordt, aanwezig in je dagelijkse leven. Fictie die vat krijgt op de realiteit.

De vraag alleen is hoe een doorsnee lezer aan al die vereisten kan voldoen, tussen de andere vereisten van een doorsnee leven door. Nog afgezien van de benodigde naïviteit en schaamteloosheid, het vergt rust en inzet – en vaak veel daarvan. Een beetje boek houdt je voor dagen van de straat als het je beet heeft, niet door het lezen zelf maar wel door het verstouwen daarvan, en waar haalt een mens de tijd vandaan?

Voor dat probleem bestaat sinds jaar en dag een oplossing in de vorm van de literatuurkritiek. Léés niet alleen een boek, ga er ook over schrijven, en de literatuur hoeft niet meer weggestopt te worden in de kleine uurtjes. Je wordt er riant voor vrijgemaakt, een Nieuwe Vrijgestelde van de kunst. Je wijdt je leven aan je eigen levensvragen, wint daar zelfs respect mee en houdt er nog geld aan over ook. De hemel voor de lezer.

Althans, zo is het ideaal. Het ideaal in elk geval dat ik voor ogen had toen ik mijn eerste boek besprak. Ik zag dat werk als een soort voortzetting en zelfs verbetering van het gewone lezen, want het schrijven dwingt je des te scherper na te denken over alles wat een boek kan opwerpen. Je moet het toetsen, zwart op wit en argument op argument, en wordt vervolgens zelf ook weer getoetst door het publiek dat je stuk in de krant leest. Werkelijker kan literatuur toch haast niet worden.

Maar zelfs in de kritiek blijkt het nog niet zo makkelijk om aan dat ideaalbeeld te beantwoorden. Want hoeveel tijd en aandacht die ook vrijmaakt, ze plaatst je daarbij in een rol die zo zijn eigen vereisten heeft en die je sluipenderwijs toch ook vaak weer verwijdert van de levende werkelijkheid waar het om begonnen was.

Zo kun je als criticus je eigen vragen wel op een boek willen loslaten, maar het is niet verstandig om bij voorbaat aan te nemen dat jouw vragen ook die van de lezer zijn. Particulier geteut ligt op de loer, de aandacht gaat al gauw meer naar de criticus dan naar het boek dat hij bespreekt. Je zult jezelf dus als het ware moeten filteren, van een persoonlijk ik naar een meer bovenpersoonlijke figuur, en disciplineert jezelf daarmee tot de distantie van de professional.

Die distantie wordt nog eens gevoed doordat er heel wat boeken zijn die je helaas kunt lezen tot je een ons weegt – zonder dat ze ook maar één vraag bij je oproepen. Misschien omdat ze je niet liggen, maar vaak ook gewoon omdat ze middelmatig zijn, wat de meeste boeken nu eenmaal zijn. Ook die moeten besproken worden, als ze door de reputatie van de schrijver toch tot het domein van de literatuur gerekend worden, en dat moet dan maar op grond van puur professionele criteria.

Naarmate een criticus meer bespreekt, zal hem dat zelfs steeds vaker overkomen. Want hoe langer hij meegaat, hoe gerichter zijn belangstelling wordt. Er komt steeds meer voorbij wat hem niet meer prikkelt, hij betrapt zichzelf op déjà vu's en komt ten slotte op een tweesprong. Óf hij volgt zijn eigen spoor, aanvaardt dat zijn belangstelling zich verdiept maar ook versmalt, bespreekt steeds minder en verbant zichzelf op den duur uit die hemel van het lezen. Óf hij blijft daar zitten, maar negeert zijn eigen spoor en schrijft als een professional die als persoon zijn werk blijft.

Het resultaat van dat dilemma is van week tot week te lezen in de literaire bijlagen. Literaire boeken worden voor het leeuwendeel beoordeeld volgens een soort technisch a-b-c van de kritiek. Verhaal, stijl, thema, het verplichte lijstje af. Een boek past in een genre zus of zo, lijkt op het werk van die of die, is zwak van bouw of juist meeslepend / spannend / fascinerend. Maar wat het toevoegt aan de wereld, God mag het weten.

De critici slagen er door de bank genomen zelden in, anders gezegd, om een verhelderende samenhang te laten zien tussen het werk dat ze bespreken en de werkelijkheid die ze bewonen. Ze laten het zo'n beetje boven de hoofden van de lezers zweven, in de eigen ruimte van de literatuur die bovenwereld van verhalen waar je in zou kunnen wonen. Ze brengen literatuur om kort te gaan terug tot een fetisj, die je de aanwezigheid laat voelen van die andere wereld om je van de onze af te leiden.

Ik kan mezelf daarbij niet uitsluiten, het is een neiging die in het métier zit ingebakken en waar je soms moeilijk aan ontkomt. Maar slecht vind ik het wel. Want het betekent dat je werk precies het tegendeel bereikt van wat je graag zou zien. Het zet een boek niet in de wereld, maar houdt het er juist buiten. Het geeft geen voorbeeld van goed lezen, het is daar meer een ontaarding van. Een perversie, of op zijn minst een ingesleten slechte gewoonte, en ik probeer mezelf daarom bij iedere kritiek weer te herinneren waar het werkelijk om gaat – in twee stelregels.

Ten eerste: schrijf niet als een criticus, maar als jezelf, zover dat gaat. Léés een boek niet alleen, leef er ook mee. Zet er je tanden in en vreet het uit. Laat ervan liggen wat je niet kan schelen en roof mee wat je van waarde vindt. Maak het van jou, want anders is het zonde van de tijd en van het boek en blijft het allemaal vergeefs.

En ten tweede: is je stuk af, duik niet meteen weer in het volgende boek, voor het stuk van de week daarop. Ga eerst de straat op en kijk of er iets veranderd is, niet aan de straat zozeer maar aan jezelf, je blik, je stemming, of er door het lezen iets verschoven is in je gedachten. Laat dat boek voor volgende week misschien eens zitten. Laat het hele boekbespreken desgewenst een tijdje zitten. Want lezen dient het leven en niets anders. Het doel van lezen is: er weer mee op te kunnen houden.

Deze tekst is een bewerking van de lezing die Hans Goedkoop op 5 april gaf als gastcriticus aan de Universiteit van Groningen.