Onrust op huizenmarkt ebt weg

De onrust op de huizenmarkt is geluwd, zegt de NVM. De prijsstijging van woningen liep het eerste kwartaal inderdaad aanzienlijk terug. Maar de vraag naar dure huizen blijft.

De huizenmarkt komt in rustiger vaarwater terecht. Dat uit zich in een langere verkoopperiode, een toename van het aanbod en vooral in een afname van de prijsstijgingen van woningen. Dat bleek uit de cijfers die de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) gisteren presenteerde. Volgens NVM-voorzitter T. Smit komt de afvlakking van de groei door ,,pessimisme in de markt en een afname van het vertrouwen van huizenkopers in de economie''.

De gemiddelde koopwoning in Nederland is het eerste kwartaal van dit jaar, zo blijkt uit de NVM-cijfers, met 0,8 procent in prijs gestegen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2000. Dat is een fors verschil met de prijsstijgingen van 1,8 procent die over de laatste drie maanden van het voorgaande jaar geboekt werden.

Toch moeten enige kanttekeningen bij deze vergelijking geplaatst worden. De Nederlandse huizenmarkt is namelijk sterk seizoensgebonden. Het eerste kwartaal is traditiegetrouw een periode waarin minder huizen gekocht worden. Minder vraag naar huizen levert in de woningmarkt ook een kleinere stijging van de prijs op. Toch lijkt de geringe prijsstijging in het eerste kwartaal van dit jaar te duiden op een trendbreuk. Want de voorgaande twee jaar waren de prijsstijgingen telkens ongeveer twee keer zo groot als de stijging van dit jaar. Pas wanneer we teruggaan naar 1998, aan het begin van de grote huizen-hype, komen we vergelijkbare cijfers tegen.

Smit ziet de markt de komende maanden wel weer aantrekken. ,,Ik verwacht het tweede kwartaal een flinke opleving.'' De NVM-voorzitter blijft daarom bij zijn eerder uitgesproken verwachting dat de huizenprijzen dit jaar met gemiddeld 6 procent zullen stijgen. Smit: ,,Vooral wanneer in de lente het weer beter wordt, volgt traditioneel een periode dat mensen een nieuw huis kopen. Dat zien we terug in de stijging van de woningprijzen.''

Opvallend aan de geringere stijging van het eerste kwartaal van dit jaar is dat de prijs van vrijstaande woningen met gemiddeld 0,8 procent afnam van 718.000 naar 712.000 gulden. Ondanks deze daling denkt Smit dat de belangstelling voor koopwoningen onverminderd groot is. H. Heida van het onderzoeksbureau ABF Research in Delft is dat met Smit eens. ,,De verschuiving naar duurdere huizen zet door. Consumenten hebben de wens ambitieuzer te gaan wonen, en willen daar best meer voor betalen.'' Dat de prijs in het duurderde marktsegment ondanks de enorme vraag afneemt, is volgens Heida, die vanuit ABF onderzoek verricht voor het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, eenvoudig te verklaren. ,,De prijzen voor de allerduurste huizen zijn de afgelopen jaren zó vreselijk omhooggegaan, dat houdt natuurlijk een keer op. Het kon niet anders of die prijsstijging in dat segment zou afnemen.''

NVM-voorzitter Smit hekelde de scheefgroei in de woningvoorraad. Ruim driekwart van de woningen in Nederland kost minder dan de gemiddelde woning. Die werd het eerste kwartaal met duizend gulden naar 414.000 gulden iets duurder. Volgens Smit is die ongebalanceerde verhouding van duurdere en goedkope woningen de overheid te verwijten. ,,Plannenmakers zoals wethouders staan een gezonde voorraad van woningen waarnaar écht vraag is in de weg.''

Woningmarktonderzoeker Heida vindt dit onzin. ,,Gemeenten bepalen misschien welk percentage van de nieuwe woningen goedkoop moet zijn, maar uiteindelijk maken bouwers de keuze wat ze neerzetten.''

Staatssecretaris Remkes van Volkshuisvesting pleitte in zijn Nota Wonen voor de bouw van meer woningen in het duurdere marktsegment. Volgens Heida maakt het uiteindelijk niet zoveel uit welk type woning gebouwd wordt: ,,In Nederland verandert de vraag naar woningen toch altijd harder dan we de omvangrijke voorraad structureel kunnen veranderen.''

    • Freek Staps