Nooit meer een Deltaplan

Het Instituut Collectie Nederland beheert de rijkscollectie beeldende kunst en probeert musea meer te laten samenwerken. Afstemming van de collecties? ,,Het blijft nog teveel een papieren ideaal.''

Op het bureau van Rik Vos, directeur van het Instituut Collectie Nederland (ICN), ligt een kloeke, blauwe paraplu. Met een tevreden gezicht klapt hij hem uit en weer in. De plu, een kersvers relatiegeschenk, moet de naamsbekendheid van het instituut vergroten. Die naam staat er dan ook voluit, in witte letters op.

Voor de medewerkers van Instituut Collectie Nederland – de `ICN-ers' zoals ze zich noemen – is het allemaal zo klaar als een klontje. Vraag een van hen wat het ICN is en prompt wordt uit het hoofd de eerste zin uit de recente informatiefolder geciteerd: `Het ICN is hét nationale kennisinstituut op het gebied van beheer en behoud van het roerend cultureel erfgoed.' Dat het ICN voor de buitenwacht een minder duidelijk fenomeen is, bleek bij het `imago-onderzoek' dat Rik Vos begin vorig jaar liet doen. Daaruit kwam naar voren dat veel mensen, ook in de museumwereld waarmee het ICN nauw verbonden is, niet begrijpen waar het instituut toe dient.

Het ministerie van OCenW besloot in 1996 om de Rijksdienst Beeldende Kunst in Den Haag samen te voegen met het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van voorwerpen van Kunst en Wetenschap en met de Opleiding Restauratoren, beide in Amsterdam. De nieuwe instelling, die bedoeld was als een centrum voor onderzoek, onderwijs en advisering op het gebied van cultuurbehoud, zou het Nederlands Instituut voor Cultuurbehoud heten. Maar vlak voor de oprichting op 1 januari 1997 verzon de net benoemde directeur, de kunsthistoricus Rik Vos, een bondiger naam: het Instituut Collectie Nederland.

De term `Collectie Nederland' was in 1990 gelanceerd door de toenmalige cultuurminister Hedy d'Ancona. Ze doelde daarmee op `het totaal van de in Nederland aanwezige museale collecties'. Tussen al die verschillende museumcollecties moest meer samenhang komen en ze pleitte dan ook voor een `nationaal collectiebeleid'. De musea werden door haar aangemoedigd om hun verzamelingen meer op elkaar af te stemmen, door hun aankopen, maar ook door onderling objecten te ruilen, te lenen en te schenken. Volgens haar opvolger Aad Nuis, was er in 1995 nog niet veel terecht gekomen van het Collectie Nederland-ideaal: de meeste musea waren nog altijd meer geïnteresseerd in hun eigen bezit dan in het totaal. Nuis zag hier dan ook een mooie taak voor het nieuwe instituut. Naast het geven van adviezen over de conservering en restauratie van museale voorwerpen zou het instituut ook de Collectie Nederland-gedachte kunnen verbreiden door de samenwerking en uitwisseling tussen musea te stimuleren.

Het ICN houdt niet alleen een oog op de hele collectie Nederland, maar beheert zelf ook een verzameling: de rijkscollectie van beeldende kunst, meubels en toegepaste kunst, die vroeger onder de Rijksdienst Beeldende Kunst viel. Deze rijkscollectie omvat zo'n 120.000 voorwerpen, variërend van het in 1998 verworven schilderij Victory Boogie Woogie van Mondriaan, tot 19de eeuwse breistoeltjes en tapijten. Gemiddeld is ongeveer de helft van de collectie uitgeleend aan musea en overheidsinstellingen. De andere helft – die door de uitleningen steeds rouleert – ligt in de depots van het ICN in Rijswijk. De rijkscollectie maakt net als alle openbare collecties op zijn beurt weer deel uit van de Collectie Nederland.

ICN-directeur Rik Vos voelt er niets voor om de rijkscollectie op te heffen en te verdelen over musea en overheidsinstellingen. Als ik die mogelijkheid opper, kijkt hij me onthutst aan: ,,De musea zitten niet te springen om een uitbreiding van hun verzamelingen, integendeel. Als ze iets in bruikleen willen, krijgen ze dat. Bovendien is het juist goed voor het ICN om uit eigen ervaring te weten wat het is om een collectie in beheer te hebben. Er wordt binnen het ICN niet alleen wetenschappelijk onderzoek gedaan aan de hand van voorwerpen uit de collectie, ze worden ook gebruikt bij onze restauratoren-opleidingen. Dat wij naast alle andere taken de zorg hebben over een eigen collectie, maakt ons instituut uniek.''

Rik Vos kan zich wel voorstellen dat er vier jaar geleden, bij de oprichting van het ICN, een lichte dreiging van het nieuwe instituut met de alles-omvattende naam uitging: ,,Een aantal musea was net verzelfstandigd en dan komt er zo'n overheidsinstituut dat zich met van alles wil bemoeien. Maar in de praktijk merk ik niks van die angst. Wij geven de musea adviezen, we zijn geen controleurs. Er is ook behoefte aan die adviezen, we krijgen honderden aanvragen per jaar. Musea willen weten wat het belang is van hun collectie, hoe ze bepaalde voorwerpen moeten conserveren of restaureren, of de klimaatregulering in hun depots deugt, of ze er verstandig aan doen delen van hun collectie af te stoten en of wij er een bestemming voor weten.

,,Als we signaleren dat veel instellingen met dezelfde problemen kampen, zoals inktvraat, of schimmels in archieven, dan doen we daar onderzoek naar. Soms werken we ook internationaal, dan zijn we er ook voor de `collectie wereld'. We hebben bijvoorbeeld laten bekijken wat er moet gebeuren met de 17de-eeuwse Nederlandse schilderijen in Havanna en er komen regelmatig buitenlanders voor onderzoek naar het ICN. Omdat er veel problemen zijn met de conservering van moderne kunst, doen we onderzoek naar nieuwe materialen die daarin verwerkt zijn en hebben we samen met de Tate Gallery een internationaal project opgezet om de kennis hierover te kunnen uitwisselen: het International Network for the Conservation of Contemporary Art.''

Volgens Rik Vos hebben alle adviezen en initiatieven van het ICN eigenlijk maar één doel: te voorkomen dat in de toekomst in Nederland opnieuw een Deltaplan nodig is om de achterstand in de restauratie en conservering van ons nationale erfgoed in te halen.

Portretbustes

In zijn kamer, die uitkijkt over de Amsterdamse Keizersgracht, staat op de schoorsteenmantel een rijtje portretbustes door Nederlandse beeldhouwers uit de vorige eeuw. Juist doordat zulke beeldengroepen in musea bijna nooit meer getoond worden, ziet het rijtje er verrassend uit. Vos: ,,Ik zag ze in ons collectie-depot in Rijswijk en ik zei: geef dat maar mee. Ik krijg hier museumdirecteuren op bezoek en als ze dit zien, zeggen ze: `Oh wat leuk'. Misschien brengt het ze op ideeën.''

Vergeleken bij het keurige interieur van het pand aan de Keizersgracht, waar de directie en kantoren van het ICN zijn gehuisvest, lijken de twee vestigingen bij het Amsterdamse Museumplein een gezellig, afgetrapt zooitje. De twee voormalige schoolgebouwen herbergen de restauratorenopleidingen met hun lokalen en werkplaatsen, de onderzoekslaboratoria en de conserverings- en adviesafdelingen. Leerlingen, docenten, kunsthistorici en conserveringswetenschappers – chemici, biologen en natuurkundigen – lopen hier door elkaar en voor een buitenstaander is niet te zien wie waarbij hoort.

Het hoofd van de opleidingen, kunsthistoricus Frans Grijzenhout, zegt: ,,Het kan ons niks schelen dat het hier een zooitje lijkt, dat hoort nu eenmaal bij laboratoria.'' Hij leidt me door de restauratie-ateliers voor papier, glas en keramiek, metaal, textiel en meubelen, die allemaal hun eigen speciale geur hebben. De opleiding voor restauratie van schilderijen en moderne kunst is in Maastricht gevestigd, bij de Stichting Restauratie Atelier Limburg, dat niet onder het ICN valt, maar er wel mee samenwerkt. Grijzenhout: ,,In onze laboratoria doen we veel onderzoek naar schilderijen en we zouden hier in Amsterdam ook graag de mogelijkheid hebben om studenten op te leiden tot schilderijenrestaurator. Daarom zijn we aan het overleggen of de opleidingen in Maastricht en Amsterdam nog verder kunnen samenwerken.'' Hij vertelt dat de studenten van de opleidingen in Amsterdam vooral geïnteresseerd zijn in de restauratie van meubels, boeken en papier en de laatste tijd ook fotografie. Voor textiel bestaat minder belangstelling doordat er bij musea weinig bereidheid meer is om veel geld te steken in textielrestauratie.

Het ICN valt direct onder het ministerie van OCenW, maar volgens Grijzenhout is de nabijheid van het ministerie geen bezwaar voor de opleidingen: ,,Doordat we uit de C van Cultuur worden bekostigd, worden we niet bekogeld met circulaires en regelgevingen, zoals bij het hoger onderwijs. Wij voelen niet de hete adem van het ministerie, eerder warme liefkozingen, ze vinden het mooi en prachtig wat we hier doen.''

Betonzalen

In een kaal gebouw van het Rijksbedrijvencentrum in Rijswijk worden alle kunstvoorwerpen en meubelstukken bewaard die niet door het ICN zijn uitgeleend. De geschiedenis van de rijkskunstcollectie gaat terug tot het midden van de 19de eeuw, toen koning Willem III begon met het geven van opdrachten aan kunstenaars. Een deel van de almaar uitdijende rijkscollectie kreeg in de loop der jaren een vaste plek in de rijksmusea, een ander deel bleef in beheer bij het rijk en valt nu onder het ICN. Tot 1992 kocht de Rijksdienst Beeldende Kunst, die toen nog over de collectie waakte, jaarlijks voor een miljoen aan hedendaagse beeldende kunst, maar dit bedrag werd overgeheveld naar de Mondriaanstichting, die hiermee nu aankopen door musea subsidieert. Sinds 1992 groeit de ICN-collectie alleen nog door incidentele verwervingen zoals Mondriaans Victory Boogie Woogie – uitgeleend aan het Haags Gemeentemuseum – en door schenkingen en legaten.

De depots in Rijswijk, 32 gigantische grijze betonzalen, ogen als decor- opslagplaatsen. Sommige zalen zijn geheel volgestouwd met stoelen en banken in alle mogelijke stijlen, andere met tafels of rollen tapijt, met rekken vol schilderijen of kasten gevuld met Delfts blauw en Chinees porselein.

Evert Rodrigo, hoofd Collecties bij het ICN, vertelt dat in totaal aan zo'n 3500 instellingen voorwerpen zijn uitgeleend, niet alleen aan musea, ministeries en ambassades, maar ook aan koninklijke paleizen, belastingkantoren, ziekenhuizen, bibliotheken en overheidsdiensten die inmiddels geprivatiseerd zijn. Als een voorwerp naar een tentoonstelling gaat, duurt zo'n bruikleen kort, maar vaak hangen kunstwerken jarenlang bij dezelfde instelling. En daar wordt niet altijd even goed voor het rijksbezit gezorgd. Bij mijn bezoek aan de Rijswijkse depots wordt in het restauratie-atelier een antieke kist opgelapt die verwaarloosd en beschadigd bij de Hoge Raad werd aangetroffen.

Rodrigo: ,,We doen af en toe bruikleencontroles en dan zien we dat er vaak slordig met de spullen wordt omgesprongen. Er raakt ook veel weg, we stuiten aan de lopende band op voorwerpen die er niet meer zijn. Minstens eenmaal per maand duikt bij de veilinghuizen wel een kunstwerk op uit de rijkscollectie – die zijn te herkennen aan de stickers. Soms heeft de inbrenger het te goeder trouw gekocht en dan is het lastig om het terug te krijgen. We hebben nu een brief aan alle veilinghuizen geschreven om ze te attenderen op het rijksbezit. En we zijn ook bezig strenge brieven te sturen naar alle 3500 bruikleennemers. We willen weten of alle voorwerpen er nog zijn en in welke conditie ze verkeren. De meest beruchte categorie wegmakers zijn de hoogwaardigheidsbekleders: iemand is directeur-generaal bij een ministerie, hij verhuist naar een ander ministerie, haakt het schilderij van de muur en neemt het mee. Als hij daarna weer een andere functie krijgt en bijvoorbeeld ambassadeur wordt, valt zo'n schilderij nauwelijks meer te traceren''

Afstoting

In alle gesprekken met medewerkers van het ICN valt de term: 'afstoting'. In de nabije toekomst moet de ICN-collectie flink worden verkleind. Omdat het weinig zin heeft voorwerpen die nooit worden uitgeleend tot in lengte van dagen in het depot te houden, wordt de hele collectie nu doorgelicht op wat er weg kan. Als de musea geen belangstelling hebben voor de overtollige kunstwerken en meubels, zullen ze, na toestemming van de staatssecretaris voor Cultuur, worden geveild. Schilderijen, beelden, complete rechtszaalameublementen, commodes en ledikanten – in de komende jaren worden ze op de markt gebracht. Evert Rodrigo vertelt dat er weleens incidenteel meubels zijn weggedaan via de veilingen van de Dienst der Domeinen die belast is met de verkoop van rijkseigendommen, maar dat de verkoop van kunstwerken door het rijk nieuw is. ,,We willen de kwaliteit van de collectie verbeteren, dus er zullen veel schilderijen, sculpturen en toegepaste kunstvoorwerpen die wij niet presentabel vinden in de handel komen.''

Het afstoten van de rijkskunst gebeurt volgens de Leidraad voor het afstoten van museale objecten die het ICN vorig jaar voor de Nederlandse musea opstelde. Want niet alleen de rijkscollectie heeft onbeheersbare proporties. Het geldt, vinden zowel de overheid als de musea, voor de hele Collectie Nederland. De `Leidraad' is een soort protocol voor het op een rechtmatige en controleerbare manier afstoten van voorwerpen door de musea. Die afstoting kan gebeuren door verkoop, schenking, ruil of vernietiging. Een van de uitgangspunten is dat musea de eventuele opbrengst weer ten goede laten komen aan de eigen collectie en er nieuwe aankopen of restauraties van bekostigen. Een schilderij van Mark Rothko verkopen om er nieuwbouw van te financieren, zoals Boijmans Van Beuningen-directeur Chris Dercon twee jaar geleden voorstelde, kan volgens de Leidraad dus niet door de beugel.

Rik Vos: ,,Dergelijke gevallen komen gelukkig niet vaak voor. Als een museum topstukken heeft die niet in de eigen collectie passen, dan gaan ze meestal naar een ander museum. Maar het gaat bij afstoting bijna nooit om topstukken, het gaat om dertig identieke theepotjes die staan te verpieteren in een depot, om medische preparaten, kevers en tandartsstoelen, om dingen die nooit worden getoond.''

Volgens Vos zijn bij veel musea de voorbereidingen voor afstoting van delen van de collectie in volle gang. ,,Vroeger moest je als museum veel redenen hebben om iets weg te doen, nu moet je veel redenen hebben om iets te houden. Elk voorwerp in een museum kost ruimte, tijd en aandacht en het is dus verstandig om kritisch te kijken welke voorwerpen dat waard zijn. Er wordt nu door zeven musea, als experiment, met de nieuwe Leidraad gewerkt. Aan het eind van dit jaar weten we of deze methode voldoet.''

Op mijn vraag of er nu – vier jaar na de oprichting van het ICN – iets terecht is gekomen van het Collectie Nederland-ideaal, of de musea en archieven hun aankopen en activiteiten meer op elkaar afstemmen dan vroeger, aarzelt hij. ,,Het blijft nog teveel een papieren ideaal. De meeste musea zijn best bereid om voorwerpen die ze zelf niet exposeren aan een ander museum over te doen. Maar pas na rijp beraad en dat duurt lang. Ik zie wel allerlei initiatieven. De volkenkundige musea hebben besloten hun collecties gezamenlijk digitaal toegankelijk te maken en ook hebben ze hun aankoopbudgetten in een gemeenschappelijke pot gestort. Zoiets was vroeger ondenkbaar.''

`Er raakt veel weg, we stuiten aan de lopende band

op voorwerpen die er niet meer zijn'

`Vroeger moest je als museum redenen hebben om iets weg te doen, nu moet je redenen hebben om iets te houden'

    • Lien Heyting